At the start of season two, the "Symfografie" was introduced in 2001 and it ran until September 2003.
A "Symfografie" is an complete biography of a progressive rock artist, band or otherwise.
Note: text is in Dutch.

 

2002
 

2003

 

Marillion - Script For A Jester's Tear

Marillion - The Thieving Magpie

Track played: Garden Party
Track played:Sugar Mice

 

IQ - Ever

IQ - Subterranea - The Concert (DVD)

Track played: Out Of Nowhere
Track played:The Wake

 

Triumvirat - Spartacus

The Website Story

Track played: The School Of Instant Pain
Track played:When The Chips Lay Down To Die

 

Pallas - The Wedge

Pallas - The Cross And The Crucible

Track played: Dance Through The Fire
Track played:Towers Of Babble

 

Pendragon - Kowtow

Pendragon - Acoustically Challenged

Track played: Kowtow
Track played:Fallen Dreams And Angels

 

Steve Hackett - Voyage Of The Acolyte

Steve Hackett - To Watch The Storms

Track played: Star Of Sirius
Track played: Circus Of Becoming

 

Mike Oldfield - The Millennium Bell Live

Mike Oldfield - Tubular Bells 2003

Track played: Shadow On The Wall
Track played: Introduction

 

Kansas - Point Of Know Return

Kansas - Device Voice Drum

Track played: Sparks Of The Tempest (live)
Track played: Cheyenne Anthem

 

Genesis - Archive 1

Genesis - Archive 1

Track played: Watcher Of The Skies (single remix 1972)
Track played: The Light Dies Down On Broadway

 

The Buggles - Adventures In Modern Recording

Yes - 90125

Track played: Adventures In Modern Recording
Track played: Leave It
   


Marillion phase 1

De band Marillion werd in 1979 opgericht in Aylesbury, Engeland. Dit was de periode dat de eerste golf van progressieve rockmuziek met teksten over tovenaars en elfen was verdwenen en was opgeslokt door de punkgolf. Maar vreemd genoeg was er voor de muziek van Marillion aandacht. Niet van de pers, maar van de fans. De groep heette in het begin nog Silmarillion naar het boek van Tolkien, maar om auteursrechtelijke redenen werd het Marillion. De eerste versie bestond uit drummer Mick Pointer, gitarist Steve Rothery, bassist Doug Irvine en toetsenist Brian Jelliman. Na de opname van hub eerste instrumentale demo The Web, verlieten Irvine en Jelliman de band. Hun vervangers werden respectievelijk Pete Trewavas en Mark Kelly en later voegde zanger Derek Dick, beter bekend als Fish zich bij het gezelschap. De eerste twee jaar van de jaren 80 stonden in het teken van veel optreden waaronder een groot aantal in de roemruchte Marquee Club in Londen en slijpen aan het geluid, dat sterk neigde naar Genesis. Het harde werken werd in 1982 beloond met een contract voor EMI, voor wie ze de single Market Square Heroes opnamen. Gestoken in een hoes van Mark Wilkinson, een fantasy-tekenaar die veel van de latere albums van ontwerpen zou voorzien evenals het sierlijke logo. Het eerste volledige album volgde in 1983 en Script For A Jester's Tear was gevuld met lange, complexe, orchestrale composities voorzien van poëtische teksten. De droom van iedere progliefhebber. De nachtmerrie van menig rockjournalist. In hun ogen waren de nummers te moeilijk en vol met pretenties, maar live was Marillion een verademing. Voor het grootste deel was dat te danken aan de wijze waarop Fish het podium bestreek, zijn gezicht volledig beschilderd, hele glazen bier vanonder het drumstel wegdrinkend en gezellig kwebbelend met het publiek. En de nummers vertolkte hij op een absurde theatrale manier. Dit was volledig tegenovergesteld aan wat Marillion's voorgangers in het genre op het podium deden: hier zat humor in, zoals blijkt uit Garden Party van de debuutplaat. Met het succes van de eerste plaat, kwam ook de eerste barst in het fundament van Marillion: drummer Mick Pointer hield het voor gezien en trok zich terug uit de muziek, zodat de groep op zoek moest na een vervanger. En het vergde heel wat audities totdat met voormalig Curved Air- en Steve Hackett-drummer Ian Mosley een goede gevonden was. Met Mosley dook Marillion de studio in en nam Fugazi op. Het verschil met Script was meteen duidelijk: de songs waren over het algemeen korter en feller. In de tussentijd had Marillion een trouwe schare fans opgebouwd door het veelvuldig touren. Het eerste tastbare bewijs daarvan was de liveplaat Real to Reel in 1985. In juni van datzelfde jaar kwam het meest ambitieuze album van Marillion uit. Een conceptplaat over het verlies en terugkrijgen van kinderlijke onschuld. Misplaced Childhood bracht een perfecte combinatie van radiovriendelijke nummers en progressieve rock. Hiermee kwam ook het eerste commerciële succes met de singles Kayleigh en Lavender. Niet iedereen kon de weelde van de supersterrenstatus dragen en met name Fish ging zich als zodanig gedragen: nachtenlange feesten, drank- en drugsgebruik en een ego van jewelste. Terwijl de band stoeide met de verkregen popstatus, verwijderde Fish zich steeds verder van de groep hetgeen duidelijk werd op de volgende plaat Clutching At Straws. Tekstueel getuigde dit album van de drankverslaving van Fish en muzikaal was het meer een verzameling losse nummers van wisselende kwaliteit om deze teksten in de etalage te kunnen zetten. De groep die eens dreef op democratie was verworden tot een vehikel voor Fish. In de november 1988 barstte de bom tijdens de voorbereidende sessies voor een nieuwe CD en verliet Fish de band. Het live-album The Thieving Magpie was het laatste product van Marillion met de Schotse leadzanger. Hoewel duidelijk een produkt van de platenmaatschappij om het gat met fase 2 op te vullen, staan er op deze plaat enkele bijzondere live-uitvoeringen uit diverse concerten. Zoals bijvoorbeeld een complete uitvoering van Misplaced Childhood en nummers van de laatste studioplaat Clutching At Straws zoals dit Sugar Mice.

Top

IQ

Q werd in 1981 opgericht en een jaar later toerde de band al door het gehele Verenigd Koninkrijk. In oktober van 1982 bracht IQ hun debuutalbum uit op cassette, Seven Stories Into Eight. De muziek kon worden omschreven als krachtige, melodieuze muziek. Dat de leden allen uitstekende muzikanten waren, werd duidelijk tijdens de live-optredens, waarbij ook het visuele aspect niet werd vergeten. Hierdoor bouwt de band in zeer korte tijd een trouwe schare fans op. Het allereerste hoogtepunt was een optreden in de fameuze Marquee-club in London als hoofdact. In 1983 verschijnt het eerste album op vinyl, Tales From The Lush Attic. Dit levert een optreden op bij het radioprogramma Friday Rock Show van de BBC. In 1985 brengt IQ The Wake uit, een plaat die als één van meest klassieke prog-albums van de jaren 80 wordt beschouwd. Voor de televisie neemt de groep een concert op van een uur dat later als Living Proof wordt uitgebracht op elpee en video. Een tournee door Groot-Brittannië als voorprgrogramma van Wishbone Ash volgt en kent als hoogtepunt een concert in het Hammersmith Odeon, de rocktempel van London. De spanningen die het schrijven en opnemen van The Wake, in combinatie met zo'n 200 optredens in één jaar, hebben tot gevolg dat zanger Peter Nicholls de band verlaat. Zijn opvolger heet Paul Menel. Met Menel treedt IQ op in het Londense Picadilly Theatre en dat heeft een lucratief contract met platenmaatschappij Phonogram tot gevolg. Er wordt ook nog getoerd met Magnum en in 1987 verschijnt het derde studio-album Nomzamo. Op deze plaat werd een koerswijziging richting iets commerciëlere muziek duidelijk en ook werd er voor het eerst in Europa opgetreden. Daaruit blijkt dat IQ een gigantische schare fans heeft. De opvolger van Nomzamo komt uit in 1989. Are You Sitting Comfortably? is geproduceerd door Terry Brown, bekend van zijn werk met Rush. Tijdens een toernee met Mike And The Mechanics door Europa wordt deze plaat gepromoot. Na afloop hiervan verlaten zanger Paul Menel en bassist Tim Esau de groep, als gevolg van een verschil van mening over de te varen koers.Een nieuwe bassist wordt gevonden in de persoon van Les Marshall en een toevallige ontmoeting met Peter Nicholls leidde ertoe dat hij andermaal bij IQ komt zingen. Helaas was deze bezetting slechts 2 concerten gegund, want Ledge Marshall komt plotseling te overlijden in de zomer van 1990. De groep besluit door te gaan en de release van een liveCD J'ai Pollette d'Arnu, een CD die aangevuld wordt met niet eerder uitgebrachte opnamen markeert de geboorte van het eigen label Giant Electric Pea. Ook een nieuwe bassist wordt gevonden in de persoon van John Jowitt, die tot dan toe naam had gemaakt in de band Ark. In november van 1991 geeft dit hernieuwde IQ een concert in Paradiso in Amsterdam, een concert dat door de lezers van het blad SI Magazine tot beste van dat jaar werd verkozen. Twee jaar later volgt het Amerikaanse live-debuut voor IQ tijdens het ProgFest festival in Los Angeles. Daar spelen zij onder meer nummers van het nieuwe nog te verschijnen album Ever, dat in juni van 1993 ten doop wordt gehouden in de Kleefse Stadthalle. Dit concert wordt opgenomen en verschijnt in 1996 onder de titel Forever Live. In dat jaar verschijnen ook de eerdere platen opnieuw, geremastered en voorzien van bonustracks op het eigen label, want de rechten zijn weer in eigen handen. Begin 1997 begint IQ aan een nieuwe plaat, resulterend in de dubbele conceptCD Subterranea. De theatershow die daarvan wordt gegeven bevat videoprojecties en een imposante lichtshow. Subterranea wordt beschouwd als het meesterwerk van de groep en het allerlaatste liveconcert van dit concept in Tilburg wordt gefilmd en wordt uitgebracht op CD en video en inmiddels op DVD. Ook is de debuutcassette Seven Stories Into Eight opnieuw opgenomen en verschenen onder de titel Seven Stories Into '98. Het jaar 2000 wordt gebruikt om een nieuw album te schrijven en op te nemen en in februari 2001 verschijnt The Seventh House. In datzelfde jaar viert IQ tevens haar 20-jarig bestaan met een aantal concerten, die als voorprogramma de groep The Lens heeft. The Lens kan beschouwd worden als een voorloper van IQ, waarvan een aantal vroege composities op een CD verschijnen. Ook in 2002 wordt het 20-jarig bestaan doorgevierd onder het motto 20 years of prog nonsense.
En dit staat de fan van IQ te wachten voor 2003:
Een DVD van de concerten rond het 20-jarig bestaan
Een biografie in boekvorm
Een nieuwe studioCD
Een heropname van Tales From The Lush Attic, onder de titel Return To The Lush Attic

Top

Triumvirat

Triumvirat werd in 1969 geformeerd in de Duitse stad Keulen. Zij waren begonnen als een soortement van Duitse variant op The Nice en de groep bestond uit Jürgen Fritz, een klassiek geschoolde pianist, drummer Hans Bathelt en bassist Werner Frangenberg. Deze laastste werd al in een vroeg stadium vervangen door Hans Pape, omdat hij de voorkeur had gegeven aan een andere band waarin hij ook speelde. Pape werd niet alleen de bassist, maar tevens de zanger. Daarmee was de vergelijking met Emerson, Lake & Palmer compleet. De groep begon met het componeren van eigen nummers. Toen de Duitse tak van platenmaatschappij EMI op zoek bleek te zijn naar nieuwe bands, stuurde Triumvirat een demo in en daaruit volgde een een contract. In 1972 kwam de eerste elpee uit op het sublabel van EMI, Harvest: Mediterranean Tales: Across The Waters. Het album was redelijk succesvol en dus mochten de heren een opvolger maken. Zij hadden inmiddels een manier van werken ontwikkeld, die gegarandeerd voor een goede plaat zou zorgen. Jürgen Fritz bedacht in grote lijnen de muziek. Vervolgens voegde Bathelt daar de teksten aan toe die door Pape werden ingezongen. De teksten waren aan elkaar verbonden, zodat er sprake was van een concept. Het gevolg was Illusions On A Double Dimple uit 1974, een blik op het leven van de rijken en de armen, gezien vanuit de laatstgenoemde. Tijdens de opnamen van die plaat had Pape besloten de band te verlaten om meer tijd te besteden aan zijn gezin. Diens opvolger werd Helmut Köllen, een neef van toetsenist Fritz. Ook Köllen beschikte over een goede stem, schreef teksten en kon componeren. De kritieken op de plaat waren overweldigend en behalve Duitsland kregen ook Oostenrijk en Zwitserland oor voor Triumvirat. Een medewerker van de platenmaatschappij stuurde Illusions naar Amerika, deze sloeg aan en een aantal concerten aldaar waren het gevolg. Het succes kon niet op en een volgende plaat kon worden gemaakt. Deze keer ging het verhaal over de slaaf Spartacus die in opstand komt tegen de Romeinse overheersing. In 1975 werd deze toonaangevende progressieve rockplaat uitgebracht en werd een groot succes, ook in de VS. Maar ondanks dat Spartacus radiovriendelijke, korte stukken bevatte, werd het niet de topplaat die men had verwacht. Tot overmaat van ramp deelde Helmut Köllen aan het einde van de Amerikaanse tour mee, dat hij de groep ging verlaten. Fritz en Bathelt waren weer terug bij af. Werner Frangenberg werd teruggevraagd als bassist en Barry Palmer werd de nieuwe zanger. De plaat Old Loves Die Hard was hiervan het eerste resultaat, maar onder druk van de platenmaatschappij, die heel graag een hitsingle voor de groep wilde scoren, kwam deze plaat niet uit de verf. Dit had tot gevolg dat de 2 nieuwe aanwinsten al weer snel de band verlieten evenals Hans Bathelt en Triumvirat leek op te houden te bestaan. In de tussentijd was de voormalige bassist Köllen aan een soloplaat begonnen waaraan ook Fritz meewerkte. De twee besloten om Triumvirat weer nieuw leven in te blazen en een plaat te maken gebaseerd op de gebeurtenissen in Pompei tijdens de uitbarsting van de Vesuvius. Sommige zangpartijen waren echter niet geschikt voor het bereik van Köllen en werd er besloten een tweede zanger aan toe te voegen. Dit markeerde de terugkeer van Barry Palmer met wie Köllen een goede samenwerking had opgebouwd. Kort daarna echter sloeg het noodlot toe: na een lange opnamesessie besloot Köllen om in zijn auto nog even naar de opnames te luisteren. Na een uur luisteren in zijn onvoldoende geventileerde garage, liep hij een koolmonoxidevergiftiging op, waaraan hij overleed. Köllen werd slechts 27 jaar. De klap was groot, maar Fritz wilde doorgaan, samen met Barry Palmer en met de nieuwelingen Curt Cress en Deter Petereit op respectievelijk drums en bas. Deze groep ging even door het leven als The New Triumvirat en bracht Pompei uit. Het nummer Hymn was een bescheiden hit in Duitsland, maar het buitenland was Triumvirat inmiddels vergeten. Toch kwamen er nog twee platen A La Carte en Russian Roulette, vrijwel volledig met sessiemuzikanten gemaakt, dus van een echte groep was geen sprake meer en muzikaal had het ook niets meer met te maken met de typische Triumvirat-sound. Fritz ontbond in 1979 de band en ging solo, echter met wisselend succes en Barry Palmer zong nog op Mike Oldfield's plaat Discovery. In 1999 kwam echter het nieuws dat Fritz, samen met Curt Cress en zanger Grant Stevens, die ooit eens met Fritz aan een filmsoundtrack had gewerkt, weer nieuw leven had geblazen in Triumvirat. Er volgde een aankondiging van een nieuwe plaat, The Website Story en in 2002 kwamen alle oude platen opnieuw uit op CD, geremastered en voorzien van bonustracks.

Top

Pallas

Pallas heeft als thuisbasis Aberdeen in Schotland en kent sinds 1979 een eerste stabiele bezetting in de personen van gitarist Niall Mathewson, toetsenist Ronnie Brown, bassist Graeme Murray, zanger Euan Lowson en drummer Derek Forman. In die beginperiode moest Pallas het voornamelijk hebben van veelvuldig live optreden en in eigen beheer maken van demo's. Door het succes van Marillion aan het begin van de jaren 80 wilde paltenlabel EMI nog wel zo'n hoopvolle progressieve rockact in hun stal halen en de keuze viel op Pallas in 1983. De eerste release was de EP Arrive Alive, die hoofdzakelijk bestond uit nummers die al veelvuldig live waren gespeeld en die in een of andere vorm al waren uitgekomen. Een jaar later toog de band naar de Verenigde Staten om met de vermaarde producer Eddie Offord hun debuutplaat op te nemen. Offord was sinds de jaren 70 een bekende naam door zijn werk met Yes en Emerson, Lake & Palmer en had zich inmiddels in de VS gevestigd. Het resultaat was The Sentinel, een in een prachtige hoes, door de fantasykunstenaar Patrick Woodroffe ontworpen, gestoken album met een verzameling progressieve rocknummers, inclusief een concept genaamd Atlantis, maar die in werkelijkheid handelde over zoiets hedendaags als de Koude Oorlog. The Sentinel wordt nu nog beschouwd als een klassieker uit de 80-er jaren. Nadat de bijbehorende toernee was afgerond gaf zanger Euan Lawson er de brui aan en moest de band op zoek naar een geschikte opvolger. Na een advertentie in de Melody Maker werd Alan Reed de nieuwe zanger. Hij werd door middel van de EP Knightmoves aan de fans voorgesteld. Het tweede volledige album, en de eerste met Reed, kwam in 1986 uit. The Wedge was voor de liefhebbers van The Sentinel wel even slikken, want er was nog maar heel weinig overgebleven van de originele sound. De nummers waren korter en commerciëler. Pallas was meer een soort Asia geworden, dan de vaandeldragers van de oude progressieve rock. Dat gezegd hebbende, was er ook iets positiefs te melden. The Wedge sprak een breder publiek aan en verkocht alleen al in Europa 100.000 exemplaren. Toch bleek dat niet voldoende te zijn om de relatie met EMI te continuëren en de band lastte een rustperiode in. Een periode die wel gevuld werd met sporadische optredens, nummers schrijven en opnemen, maar uitgebracht werd er hoegenaamd niets. Alles bij elkaar genomen duurde deze periode 13 jaar, tot 1999 toen eindelijk het derde officiële album verscheen: Beat The Drum. Het Duitse label Inside Out had de band een contract aangeboden en bracht ook nog eens alle voorgaande albums opnieuw uit. Beat The Drum zette een streep onder de voorgaande moeilijke periode, maar straalde desondanks een enorme energie, wilskracht en inzet uit. Pallas was weer helemaal terug. Met een schone lei kon begonnen worden aan de voorbereidingen voor een geheel nieuw album. Dat zou uiteindelijk The Cross And The Crucible worden in 2001. Muzikaal was het een combinatie van de stijl The Sentinel en het werk van The Wedge. Pallas had zijn plaatsje gevonden. Het concept van The Cross And The Crucible bestond uit het ontrafelen van de geheimen van het menselijk ras en de plaats van het individu daarin. De mens is in staat enerzijds prachtige dingen te creëren en anderzijds de meest wrede oorlogen te voeren, al dan niet uit naam van een religie. Vandaar de naam The Cross And The Crucible. Pallas bewijst dat de looptijd van een band niet altijd af te leiden is uit de hoeveelheid albums die men uitbrengt, maar aan de andere kant is het de groep er alles aan gelegen niet nogmaals in de vergetelheid te raken. Hiertoe werd een CD-ROM uitgebracht, genaamd Mythopoeia met een overzicht van de carrière van de groep tot aan 2001, inclusief hetgeen gebeurde in die rustperiode van 13 jaar. En in 2002 werd een concert in De Boerderij in Zoetermeer opgenomen om later dit jaar uitgebracht te worden als DVD en dubbelCD onder de titel The Blinding Darkness. Dit concert bevatte tevens een gastoptreden van de originele zanger Euan Lawson om aan te geven dat diens vertrek 20 jaar geleden niet met haatgevoelens gepaard ging. Het verhaal van Pallas is nog lang niet uitverteld.

Top

Pendragon

Opgericht in 1977 als Zeus Pendragon, maar het eerste deel werd al snel losgelaten. De beginperiode verliep moeizaam, althans daar waar het een platencontract betreft. De muziekwereld werd gedomineerd door punk en new wave en voor progrockers was geen plaats. En al helemaal niet wanneer je naam was afgeleid uit de Arthuriaanse legende. Pas toen Marillion in 1982 enig commercieel succes oogste, volgden vele bands in hun voetspoor, dus ook Pendragon. Zij traden op tijdens het befaamde Reading Festival en kregen een contract bij Elusive Records, het label van Marillion's toenmalige manager. Er werden twee platen gemaakt: de EP Fly High Fall Far en het volledige album The Jewel. Er werd uitgebreid getourd, niet alleen in Engeland, maar ook in Frankrijk, Duitsland en Nederland onder meer in het voorprogramma van Marillion tijdens diens Misplaced Childhood-tour. Hun concert in Vredenburg Utrecht op 16 oktober 1985 was tevens de laatste met toenmalig toetsenist Rik Carter. Deze werd vervangen door Clive Nolan en ook werd er een nieuwe drummer aangetrokken, Fudge Smith. Met de overgebleven oprichters Nick Barret en Peter Gee was de klassieke bezetting compleet. Een concert in de befaamde Marquee Club in hartje London werd vereeuwigd op de plaat 9:15 LIVE en platenmaatschappij EMI liet ze een aantal demo's opnemen, maar bood de band geen contract aan. Gedwongen door de slechte situatie in de muziekindustrie, voelde Pendragon zich genoodzaakt een eigen platenmaatschappij op te richten, Toff Records genaamd. Op dit label zouden voortaan alle Pendragon-releases verschijnen, te beginnen met Kowtow in 1988. Niet helemaal een gelukkige keus als eerste release op het eigen label, want juist dit album is afwijkend van wat je de traditionele Pendragon-sound zou kunnen noemen. Maar helemaal verwonderlijk is het niet, want Kowtow is eigenlijk de eerder genoemde demo die ze voor EMI hadden opgenomen en duidelijk een meer commerciële inslag kent. Het zij ze vergeven, al was het alleen maar voor het prachtige titelstuk.
Het eerste bewijs van een echt eigen geluid werd geleverd op The World in 1991. De karakteristieke zang van Nick Barret droeg er natuurlijk toe bij dat ze bij vergelijking met andere bands uit dezelfde periode, iets unieks hadden. De nummers kenmerkten zich door het sterke melodieuze karakter met veel nadruk op de gitaar. Toetsenist Clive Nolan voegt mooie geluiden toe en verzandt nergens in eindeloos gesoleer. Maar datgene wat Pendragon er zo uit doet springen is emotie, zowel in de zang als de instrumentale passages. Dat emotionele en tot de verbeelding sprekende, wordt nog versterkt door het hoesontwerp van Simon Williams. In elk hoekje valt wel iets te ontdekken en The World markeert het begin van een samenwerking tussen de groep en de kunstenaar. In 1993 siert wederom een prachtige tekening van Williams de hoes van een Pendragon CD: Window Of Life laat horen hoe de band zich meer en meer op zijn gemak voelt met de ingeslagen weg. Duidelijk herkenbaar zijn de sterke melodiën, betekenisvolle teksten en creatieve arrangementen. Van de tournee die volgde op deze plaat werd een concert in Vredenburg opgenomen en uitgebracht als liveplaat Utrecht ... The Final Frontier. Maar het beste materiaal van de band tot dan toe, moest nog komen. En dat kwam er, in 1996 met The Masquerade Overture. Voor velen tot op de dag van vandaag het ultieme Pendragon-album. Het openingsnummer wil de luisteraar nog wel eens op het verkeerde been zetten: dit lijkt wel opera. Maar vanaf het tweede nummer klinken de herkenbare elementen van het samenspel van gitaren en toetsen en de soms melancholische zang van Nick Barret. Als aanvulling hierop verscheen nog As Good As Gold met een drietal niet eerder uigebrachte nummers. Tot 2001 duurde het voordat er een nieuwe studioCD verscheen, nadat we eerst bestookt werden met allerlei archiefopnames, liveCD's en live video's. In die periode werden ook de fans in Zuidamerika bedient met een aantal live-optredens in Chili, Argentinië en Brazilië. Maar zoals gezegd, in 2001 verscheen de tot heden laatste studioCD Not Of This World, waarmee de groep hun status verstevigd en laat blijken al lang niet meer als kloon van bij voorbeeld Marillion gezien kan worden. Pendragon heeft een herkenbaar, eigen geluid met een geheel eigen schare fans. En dat in de nummers ontdaan van alle elektronische snufjes ook prima uit de verf komt bevestigd de in 2002 uitgebrachte liveCD Acoustically Challenged. Dit heeft er mede toe geleid dat Nick Barret en Peter Gee opnieuw de podia betreden als Pendragon Unplugged in het voorprogramma van de huidige tournee van Arena.

Top

Steve Hackett

Steve Hackett, bekend geworden als gitarist van Genesis, de groep waarvan hij in 1971 lid werd als opvolger van Anthony Philips. Zijn eerste plaat met Genesis was Nursery Cryme en het was meteen hoorbaar dat deze gitarist een mate van intellect, complexiteit en diversiteit toevoegde aan de muziek. Hij zou aanblijven tot en met de plaat Wind And Wuthering, voordat hij zich definitief ontworstelde aan de beperkingen van een groep. In de tussentijd had hij al diverse solo-platen op zijn naam staan, omdat meer en meer composities die hij aan Genesis voorstelde het niet haalde op de uiteindelijke albums. Zijn eerste solo-elpee was Voyage of The Acolyte uit 1975. Peter Gabriel had Genesis net verlaten en de rest van de groep wist nog niet zo goed hoe verder te gaan. In die periode ontdekte Hackett de Mellotron en ging ermee aan het stoeien. Hij had een paar muzikale ideeën waarvan hij wist dat de rest van de groep ze verafschuwden en juist dat spoorde hem aan ermee door te gaan. Op deze wijze kon hij zijn eigen creativiteit de vrije loop laten. Op Voyage Of The Acolyte wordt hij wel bijgestaan door zowel Phil Collins als Mike Rutherford en ook door zijn broer, John en Sally Oldfield. Een aantal nummers van deze plaat maakte heel lang onderdeel uit van zijn live-optredens en het album als geheel wordt door velen gezien als het beste Genesis-album dat ze nooit maakten. Het duurde tot 1978 voordat er weer een plaat van Hackett verscheen, maar nu was het dan definitief als solo-artiest. Vlak nadat hij Genesis verliet nam hij Please Don't Touch op waarop werd meegewerkt door Richie Havens en Randy Crawford. Voor de tournee die hierop volgde werd er een vaste band samengesteld, omdat het voor de gastmuzikanten van het album onmogelijk bleek om mee te gaan op tour. De begeleidingsband van Hackett werd een zo goed op elkaar ingespeelde formatie, dat hij met deze mensen de studio inging om een nieuwe plaat te maken. Er werd gekozen voor de Wisseloord Studio's in Hilversum als plaats voor wat de plaat Spectral Morning zou worden. Meer en meer werd duidelijk dat de interesses van Hackett niet beperkt bleven tot progressieve rock. Oosterse invloeden kondigden zich aan en ook een zekere vorm van humor drong door tot zijn muziek. Nu eens werden de grappen tekstueel gemaakt, dan weer muzikaal met vreemde wendingen en muziekinstrumenten. Maar we gaan nu eerst terug naar daar waar het allemaal begon: de eerste soloplaat Voyage Of The Acolyte uit 1975. Dit is Star Of Sirius.
Op zijn volgende album liet Hackett zich weer van zijn gevoelige kant zien, door het thema van de verscheuring tussen oost en west aan te pakken. Op Defector lopen de belevenissen van een overloper als een rode draad door de muziek. Aanleiding voor dit thema waren zijn eigen ervaringen in het oostblok waar het altijd leek alsof er daar geen kleuren bestonden. Ook voelde hij zich meer en meer op zijn gemak en betrokken bij het proces van touren. Hij was er eindelijk klaar voor om in het middelpunt van het podium te staan en er ook nog van te genieten. Dit was het laatste album waarop Hackett samenwerkte met een uitgebreide cast aan muzikanten, want voor zijn volgende plaat Cured koos hij voor een meer studiogerichte benadering dan een groepsgevoel. Ook gaat hij zich meer en meer ontwikkelen als zanger. Voordat zijn nieuwe album verschijnt is er ook nog een verrassing voor Genesis-fans: in 1982 is het oude Genesis eenmalig bijeen voor een liefdadigheidsoptreden om het armlastige WOMAD-project van Peter Gabriel uit het slop te trekken. Van een reünie komt het echter niet en Hackett gaat door op de ingeslagen weg. Achter elkaar verschijnen Highly Strung, een rockplaat, Bay Of Kings, een meer akoestisch album en Highly Strung, met Zuidamerikaanse samba-invloeden. De flexibiliteit van zijn fans worden door Hackett danig op proef gesteld. Dan volgt het nieuws dat Hackett andermaal tot een band toetreedt en wel de groep GTR met Yes-collega Steve Howe. Hij zag het idee wel zitten: een groep rond twee gitaristen en aanvankelijk wierp de samenwerking zijn vruchten af. Al op de eerste dag dt de twee samen speelden componeerden ze de hitsingle When The Heart Rules The Mind. En ook de tour die volgde op het debuutalbum werd een groot succes. Maar de samenwerking liep stuk en Hackett ging solo verder. Er volgde wederom een akoestisch album Momentum, en er werd een start gemaakt met een rockplaat waarop wordt meegewerkt door Queen-gitarist Brian May, Chris Thompson van Manfredd Mann's Earth Band en de twee Marillion-leden Pete Trewavas en Ian Mosley. Om contractuele redenen zou het tot 2000 duren voordat dit album, getiteld "Feedback 86" verschijnt. Hackett's niet te stuiten productie heeft maar één doel: zoveel mogelijk optreden en de plaat Time Lapse is daar een goed bewijs van, met 2 concerten uit twee verschillende periodes met twee verschillende bands. De volgende studioplaten Guitar Noir en Blues With A Feeling maken een cirkel rond, want Steve Hackett is dan daar waar het allemaal begon: zijn eerste invloeden en inspiratie. Wellicht is zo ook te verklaren dat hij vervolgens een nieuw bezoek brengt aan zijn Genesis-verleden door middel van Genesis Revisited en de daaruit voortvloeiende liveset The Tokyo Tapes. En na andermaal in groepsvorm opgetreden te hebben is het tijd voor het minimalistische werk van Erik Satie. Samen met zijn broer John herbewerkt hij composities van deze Fransman tot een duet voor gitaar en fluit. Iets heel anders dan zijn fans van hem gewend zijn, maar het past wel in het karakter van Steve Hackett. Hierna verschijnt ook nog een 4 CD set uit de archieven van live-optredens en een tour in Zuid Amerika verschijnt op DVD. En volgende maand is de release van andermaal een rockplaat: To Watch The Storms. De bron van Hackett is nog lang niet uitgeput.

Top

Mike Oldfield

Mike Oldfield was 14 jaar oud toen hij een muzikale carrière begon samen met zijn zus Sally als het folk-duo Sallyangie. Het duo maakte samen één plaat, toen Mike toetrad tot de groep van Kevin Ayers als gitarist. In 1971 viel deze band uit elkaar en Oldfield continueerde de muziek, waarmee hij een jaar eerder voor zichzelf was begonnen. Dit zou resulteren in Tubular Bells, maar geen enkele platenmaatschappij was geïnteresseerd totdat Richard Branson met zijn pas opgerichte Virgin Records het besluit nam om met Oldfield in zee te gaan. Tubular Bells verscheen in 1973 als eerste release op dat label en werd een groot succes. Oldfield was 19 jaar en wist zich geen raad met alle aandacht die zo'n succes met zich meebracht. Hij trok zich terug en hield zich uitsluitend met componeren bezig. Er verschenen nog 2 albums "Hergest Ridge" en "Ommadawn" en tot 1978 liet Oldfield niets meer van zich horen. Van liveconcerten was slechts sporadisch sprake, want eigenlijk hield de zonderling niet zo van optreden. Pas in 1979 toen Oldfield met behulp van therapie over zijn terughoudendheid en perfectionisme was heengekomen, waagde hij zich op het podium om zijn nieuwste plaat Incantations te promoten. Met maar liefst zo'n 100 personen in de vorm van band, orkest en koor ondernam hij een tournee, waarvan een gedeelte terecht is gekomen op de live-dubbelaar Exposed. Gezien de grootte van deze onderneming is het dan ook niet vreemd dat er gigantische verliezen werden geleden. Dit dwong Oldfield ertoe om in het vervolg met een kleinere groep muzikanten op tour te gaan. Nadat de plaat Platinum was verschenen, bestond de liveband nog maar uit zo'n 12 mensen en tijdens de QE2 tour, nog maar 6. Oldfield had eindelijk een balans gevonden tussen het zo goed mogelijk reproduceren van een plaat met voldoende muzikanten. Muzikaal was ook een verschuiving merkbaar naar meer pop-gerichte nummers. "Guilty" een poppy nummer, werd een grote hit en hij had zelfs een nummer van Abba gecovered: "Arrival". Zijn fans van het eerste uur waren allerminst blij, maar het commerciële succes nam alleen maar toe, met als absolute hoogtepunt het album Crises met de hitsingles Moonlight Shadow en Shadow On The Wall. Die tour in 1983 bracht Oldfield overigens voor de tweede maal naar Nijmegen. In 1984 had Oldfield genoeg van het constante plaat uitbrengen, touren, plaat uitbrengen, touren, enzovoort. Hij ondernam iets nieuws: hij ging filmmuziek maken en wel voor The Killing Fields. Er volgden nog een paar platen: Islands, Earth Moving, Amorok (bedoeld als Ommadawn deel 2) en Heaven's Open maar een groot succes werden ze geen van allen, temeer daar aangekondigde tournees op het laatste moment werden afgelast. Inmiddels was Oldfield bevrijd van zijn contract met Virgin en hij ging met Warner Brothers in zee voor 3 platen. De eerste release op dat label was andermaal een Tubular Bells. Tubular Bells deel 2 kwam uit in 1992 en werd gevierd met een live-uitvoering in Edinburgh, Schotland, die op TV werd uitgezonden en thans op DVD verkrijgbaar is. Het commerciële succes was terug en er werd ook weer een korte tour ondernomen, de zogenaamde 20th Anniversary Tour. De twee volgende platen voor Warner waren Song From Distant Earth, losjes gebaseerd op een boek van Arthur C. Clarke en Voyager, uniek in de historie omdat hierop een groot aantal herbewerkte traditionele Ierse, Schotse en Spaanse volkswijsjes staan, en slechts een handjevol originele Oldfield-composities. Oldfield had zich inmiddels op Ibiza gevestigd om te ontsnappen aan de hectiek van alledag tot hij erachter kwam dat Ibiza "the place to be" was voor liefhebbers van house, techno en aanverwante stijlen. Hij werd dan ook door deze stijlen beïnvloed bij het maken van deel 3 uit de Tubular Bells story, die zijn première kende op 4 september 1998 in Londen in de stromende regen, op de dag af 6 jaar na de première van TB2. Eén van de muzikanten was bassiste Carrie Melbourne.
Ook dit concert is op DVD verkrijgbaar. Het volgende jaar markeerde de Then & Now tour, tot op heden de laatste tournee van Oldfield. Hierna keerde hij terug naar zijn eigenlijke instrument, de gitaar. Op Guitars worden alle klanken voortgebracht door diverse gitaren, al dan niet via een gitaarsynthesizer. Het laatste project van de 20ste eeuw, was een muzikale terugblik op gebeurtenissen uit de laatste 2000 jaar, zoals de geboorte van Christus, de ontdekking van Amerika en de reizen in de ruimte. The Millennium Bell kende zijn première op Oudjaarsavond 1999 in Berlijn. Oldfield begon de 21ste eeuw met een muzikale virtuele wereld, Music VR. Je kunt het spelen op de Personal Computer, voorzien van muziek, verkrijgbaar op de CD Tres Lunas en deel 2 The Tube World is momenteel in de maak. Tot slot rekende Oldfield af met een grote geest uit het verleden: het imperfecte geluid op de originele Tubular Bells uit 1973. Om contractuele redenen mocht hij 25 jaar lang geen nieuwe versie opnemen. Los van deze beperkingen, nam hij de plaat helemaal opnieuw op, daarbij gebruikmakend van de hedendaagse technologie. Tubular Bells 2003 verschijnt morgen en dan is het 30 jaar na de release van de originele versie.

Top

Kansas

In 1972 startte officieel de band Kansas, afkomstig uit Topeka in de staat Kansas. De groep bestond uit Kerry Livgren op gitaar, Dave Hope op bas, drummer Phil Ehart, Robby Steinhardt op viool, toetsenist/zanger Steve Walsh en gitarist Richard Williams. Het duurde tot 1974 vooraleer de groep een eerste plaat mocht maken, waarop ze hun mix van progrock, hardrock en klassiek konden laten horen. Met name door het gebruik van de viool en grootse orkestraties werden de klassieken invloeden duidelijk. Deze typische Kansas-stijl zou op de latere albums nog worden uitgewerkt, met hier en daar een zoete ballad. Het leeuwendeel van de muziek werd geschreven door Livgren en Walsh, waarbij met name Livgren in tekstueel opzicht de spirituele kant zocht en Walsh een meer wereldlijke visie had. Pas na 3 albums pikte het grote publiek de muziek van Kansas op door de single Carry On Wayward Son van de elpee Leftoverture, hun vierde. Leftoverture laat een volwassen band horen, die op de top van hun kunnen speelt en die één is met de door henzelf ontwikkelde muziekstijl. Goede kritieken in de pers was hun deel en Kansas werd veelvuldig gedraaid op de radio. Een jaar later,in 1977, deed de groep datgene wat niemand eigenlijk verwachtte: ze kwamen met een nog betere plaat. Point Of Know Return, met de hitsingle Dust In The Wind werd een nog groter commercieel succes, mede doordat de composities van Kansas korter en compacter werden. Het werd tijd voor de jongens uit Kansas om te oogsten. Hun eerste officiële live-album kwam uit om te bewijzen dat de band niet voor niets bekend stond als een uitstekende live-band. De volgende studio-plaat Monolith was de eerste die door de groep zelf werd geproduceerd, maar bevatte niet de magie van Leftoverture of Point Of Know Return en ook de eerste plaat in de jaren 80, Audiovisions wist geen groot publiek te bekoren en de eerste tekenen van problemen dienen zich aan. In dat licht is het wellicht aardig om het volgende te melden: het nummer Sparks Of The Tempest werd traditiegetrouw tijdens concerten als volgt beëindigd: de herhaling van het intro staat op band en zodra dat wordt ingestart verlaten de groepsleden één voor één het podium totdat het hele podium leeg is en alleen de klanken vanaf tape nog te horen zijn. Nooit als zodanig bedoeld natuurlijk, maar wel tekenend. Al sinds enige tijd hadden gitarist Kerry Livgren en bassist Dave Hope zich openlijk tot het christendom bekeerd en met name Livgren uitte dit zeer expliciet in de songteksten. En dat zorgde voor tweespalt in de groep, met name tussen Walsh en Livgren. Walsh vertrok en werd vervangen door John Elefante, ook al overtuigd Christen. Vinyl Confessions, de eerste plaat zonder Walsh, liep dan ook over van de christelijke invloeden, hetgeen veel fans van Kansas deed vervreemden. Hierdoor besloot ook violist Steinhardt de groep te verlaten en kreeg Livgren tot overmaat van ramp ook nog te maken met een heus "writer's block". De plaat Drastic Measures uit 1983 kwam dan ook geheel voor rekening van nieuweling Elefante. Voor vele fans is dit dan ook enkel in naam een Kansas-plaat, want geen van de originele ingrediënten was meer aanwezig. Een jaar later werd de groep ontbonden toen Livgren en Hope weggingen om de religroep AD op te richten. Posthuum verscheen er nog een Best Of-album met één nieuw nummer en dat was het dan. Tot 1986, want toen werd Kansas opnieuw opgericht, ditmaal met Phil Ehart, Richard Williams en Steve Walsh als originele leden. Zij werden aangevuld door gitarist Steve Morse en bassist Billy Greer. Het gevolg was het album Power en hoewel een terugkeer naar de meer symfonische Kansas hoorbaar was, was dit een overwegend poppy album. En toen de conceptplaat In The Spirit Of Things ook al geen al te diepe indruk wist te maken, was het voor de tweede maal over voor Kansas. In 1990 werd de groep overgehaald om in redelijk originele bezetting, dus met Livgren en Hope een Europese tour te ondernemen en dat beviel zo goed dat werd besloten om ook in de VS op tour te gaan. Kort daana verliet Livgren andermaal de groep, maar zou met enige regelmaat als special guest met de groep optreden. Ook een nieuwe studioplaat werd opgenomen, Freaks Of Nature en een herbewerking van klassiekers met symfonie-orkest Always Never The Same verschenen. In 2000 kwam de eerste studioplaat met daarop de originele bezetting, weliswaar op maar een paar nummers, maar Somewhere To Elsewhere, herbevestigde de status en de levensvastbaarheid van Kansas. De band is vrijwel continu aan het toeren en optreden en onderneemt een gezamenlijke Amerikaanse tour met Yes in 2000. Een intiem opgezet optreden in 2002 vormt de basis voor een CD/DVD-combinatie met alle grote hits en klassieke Kansas-nummers. Onder de noemer Device Voice Drum verschijnt deze set in begin 2003. De rest van dit jaar zal voor grootste deel in het teken staan van een toernee in het kader van Device Voice Drum. En dat de heren het nog immer kunnen bewijst Cheyenne Anthem.

Top

Genesis

Het boek van Genesis begint in 1965 wanneer op de kostschool Charterhouse in Surrey, Engeland 2 schoolbands actief zijn: The Garden Wall met toetsenist Tony Banks en zanger Peter Gabriel en The Anon met daarin gitarist Anthony Phillips en bassist Mike Rutherford. Wanneer The Anon uit elkaar gaat voegen Phillips en Rutherford zich bij Banks en Gabriel en zij nemen drummer Chris Stewart mee. Deze groep gaat aan het werk en neemt diverse demo's op waarvan er eentje belandt bij producer Jonathan King. Hij zorgt ervoor dat ze een contract krijgen bij Decca Records en hij geeft de groep de naam Genesis. Deze groep neemt 2 singles op: The Silent Sun, een soort van BeeGees-achtig nummer en A Winter's Tale. Beide singles floppen, maar de groep mag toch een heel album opnemen. In 1968 verschijnt From Genesis To Revelation, de debuutplaat van Genesis. Hierop doet de band een poging om in 10 nummers de historie van de mensheid vanuit een bijbels perspectief te vertellen. Omdat de hoes geen bandnaam bevatte en eruit zag als een Psalmenboek, belandde de eerste Genesis-plaat veelal in de bakken met religieuze muziek: er werden er 650 verkocht. Inmiddels is drummer Chris Stewart vervangen door John Silver, die op zijn beurt weer vervangen zal worden door John Mayhew. Decca laat de groep zakken, maar ze blijven desondanks nieuwe nummers schrijven en veelvuldig optreden. Tijdens één van hun optredens worden ze benaderd door Tony Stratton-Smith, platenbaas van het nieuwe label Charisma. Hij ziet wel wat in de muziek van Genesis en wordt hun nieuwe manager. Dit resulteert in de tweede plaat, Trespass. Hierop wordt de koers van de groep duidelijk: lange instrumentale passages, veel tempowisselingen en dramatische zangpartijen. De optredens van Genesis worden weliswaar goed bezocht, maar ze hebben onvoldoende fans om Trespass in de hitlijsten te krijgen. Ontevreden over de te volgen koers verlaten zowel gitarist Anthony Phillips als drummer John Mayhew de groep en de zoektocht naar hun vervangers begint.
Allereerst wordt er een nieuwe drummer aangetrokken, een jongeman die als kind bekendheid genoot als acteur in speelfilms en musicals, luisterend naar de naam Phil Collins. Maar zijn grote liefde was drummer zijn en hij reageerde op een advertentie in Melody Maker. Een nieuwe gitarist vonden ze in Steve Hackett en dit gezelschap neemt de derde plaat, Foxtrot op. Hun optredens zijn inmiddels mini-toneelstukken geworden, waarin zanger Peter Gabriel gehuld in verschillende kostuums de verhalen van de nummers vertolkt. Met vleermuisvleugels en fluoriscerende ogen in "Watcher Of The Skies" tot een bloemenmasker voor "Supper's Ready". Dit had echter wel één vervelende consequentie: de internationale muziekpers ging ervan uit dat Gabriel Genesis was en dat hij alleen verantwoordelijk was voor de composities. We schrijven 1972 wanneer Genesis voor het eerst in Amerika optreedt en een jaar later volgt een uitgebreide tournee door de VS. Opnames voor het radioprogramma King Biscuit Flower Hour komen terecht op de plaat Genesis Live. Het eerstvolgende studioprodukt wordt Selling England By The Pound met daarop de eerste hitsingle: I Know What I Like. In de teksten worden nu ook hedendaagse gebeurtenissen verwoord, in plaats van de mythische verhalen van eerdere elpee's. Zo gaat de Battle Of Epping Forest over twee rivaliserende bendes, naar ware gebeurtenissen. Tony Stratton-Smith besluit dat hij zich terug moet trekken als manager en maakt de weg vrij voor bijna-naamgenoot Tony Smith. Smith weet door een aantal slim geboekte optredens de schuld van Genesis die 200.000 pond bedraagt tot nul te reduceren. Een succesvolle Amerikaanse tournee wordt gevolgd door enkele uitverkochte Engelse concerten en band is op het hoogtepunt van hun roem. En zoals vaak in bands, gaat het hier mis en komen de frustraties boven. Phil Collins wilt zich bijvoorbeeld meer op de jazzrock concentreren en Peter Gabriel wordt gevraagd mee te werken aan een filmscript. Toch weet de band in deze bezetting nog één plaat te maken: het conceptalbum The Lamb Lies Down On Broadway. Deze dubbelpee vertelt het verhaal van Rael, een straatschoffie die uitgroeit tot de redder van het volk. Tijdens de tournee die geheel in het teken stond van The Lamb, inclusief diaprojecties, lichtshow en diverse verkleedpartijen, geeft Gabriel aan dat hij de groep wil verlaten om zich te concentreren op een solo-carrière. Dit wordt voor de rest van de groep geheim gehouden tot de laatste paar optredens, maar in 1975 is het zover: Gabriel verlaat Genesis en de zoektocht naar een vervanger begint Maar dat is een ander hoofdstuk in het boek genaamd Genesis.

Top

Trevor Horn

Trevor Horn is tegenwoordig bekend als producer, maar hij begon zijn muzikale carrière als bassist. In zijn tienerjaren deed hij dat in veel lokale, onbekende bandjes, zijn eerste muzikantenbaan was in de begeleidingsband van disco-ster Tina Charles in de jaren 70. In die band leerde hij toetsenist Geoff Downes kennen, en samen met hem experimenteerde Horn met allerlei elektronica en maakte reclamejingles. In 1979 vormden Horn en Downes samen met Bruce Woolley, Hans Zimmer en Thomas Dolby de formatie Camera Club. Deze band was geen lang leven beschoren, en een jaar later vormden Horn en Downes het duo The Buggles. De overige leden van Camera Club zijn allemaal behoorlijk goed terecht gekomen trouwens. Bruce Woolley werkte nog lang samen met Horn, Hans Zimmer werd een beroemd componist en maakte de muziek voor films als Rain Man en Gladiator en Thomas Dolby was aan het begin van de jaren 80 een wereldberoemd artiest met hits als I Scare Myself en She Blinded Me With Science. De allereerste plaat die het nieuwe duo Horn en Downes als The Buggles maakte was het profetische Video Killed The Radio Star. Toen de plaat een wereldwijde hit werd, lag de druk bij The Buggles om voor het einde van 1979 een heel album af te leveren, maar ze hadden maar 3 songs. Het overige materiaal dat uiteindelijk op The Age Of Plastic, de debuutplaat, terechtkwam werd geschreven en opgenomen tijdens de hectiek van de promotiecampagne rond Video Killed The Radio Star. Het werd al snel duidelijk dat de elpee geen tweede Video Killed bevatte en de twee volgende singles: Living In The Plastic Age en Clean, Clean konden het eerste succes niet evenaren en The Buggles leken bijna net zo snel te verdwijnen als ze waren gekomen. Daar kwam nog bij dat het duo gevraagd werd om bij Yes te komen om de weggelopen Jon Anderson en Rick Wakeman te vervangen. Een stap waarvan Horn later zei dat ie wist dat het niet goed zat, maar zich had laten overtuigen. Hij was sinds de jaren 70 een fan van Yes geweest en nu zat hij zelf in die groep. Met Yes maakte Horn het album Drama en ging op tournee door Amerika en Engeland. Maar de fans reageerden slecht op de nieuwe zanger van hun favoriete band. Menige avond wist Horn de hoge noten niet te halen en zong er menig maal naast, zodat een regen van bierflessen zijn deel werd. Na 7 maanden verliet hij Yes alweer om te proberen The Buggles weer nieuw leven in te blazen. Inmiddels was zijn relatie met Geoff Downes ook dusdanig verslechterd zodat ook de tweede plaat Adventures In Modern Recording geen samenhangend produkt was en dit leidde tot de uiteindelijke breuk van het duo. Horn ging zich vervolgens geheel op het produceren storten, want hij begon naam te maken in de muziekindustrie. De eerste groep die hij produceerde was Dollar en het was de sound van die plaat, die de leden van ABC opmerkzaam maakten op Horn. Zij vroegen hem hun debuutplaat The Lexicon Of Love te produceren, met daarop hits als The Look Of Love en Poison Arrow. De hand van Horn is duidelijk hoorbaar en ABC wordt een beroemde groep. In 1983 voegt Trevor Horn zich andermaal bij Yes, niet als zanger, maar als producer. Yes had 2 jaar stilgelegen en een verjongingskuur ondergaan. Het album 90125 met de hit Owner Of A Lonely Heart betekende de comeback van de groep en de ultieme wraak van Horn. Het leverde Horn het predikaat Producer van het jaar op. De successen volgen elkaar nu snel op: Frankie Goes To Hollywood, het eigen ZTT-label met als bekendste groep zijn eigen Art Of Noise, Grace Jones' Slave To The Rhythm, Propaganda en Seal. Overigens levert de tweede plaat van Seal Horn zelfs een Grammy Award op als beste producer. In 1992 komt Horn nog eenmaal samen met zijn oude maatjes van Camera Club: Bruce Woolley, Hans Zimmer en Thomas Dolby om te werken aan de soundtrack voor de film Toys en ook produceert hij deel 2 van Mike Oldfield's Tubular Bells. In de latere producerscarrière van Horn lijkt hij meer te kiezen voor de mainstream artiest in plaats van het experimentele van vroeger en ook wil hij zich meer richten op vocalisten in plaats van groepen. Zo produceert hij Tina Turner, Rod Stewart en meer recent het Russische duo T.A.T.u.. Twee jaar geleden maakte de pers melding van een rel tussen Horn en Seal dat zelfs op een vuistgevecht zou zijn uitgelopen, maar zoals nu blijkt hebben de heren hun ruzie bijgelegd, want het nieuwste album van Seal, Seal IV wordt andermaal geproduceerd door Trevor Horn. Het wordt steeds moeilijker om de hand van Horn te herkennen in zijn producties, want zo baanbrekend als aan het begin van zijn carrière is Horn, de grootgebruiker van de samper, helaas niet meer.

Top