Marillion
phase 1
De band Marillion werd in 1979 opgericht in Aylesbury, Engeland. Dit
was de periode dat de eerste golf van progressieve rockmuziek met teksten
over tovenaars en elfen was verdwenen en was opgeslokt door de punkgolf.
Maar vreemd genoeg was er voor de muziek van Marillion aandacht. Niet
van de pers, maar van de fans. De groep heette in het begin nog Silmarillion
naar het boek van Tolkien, maar om auteursrechtelijke redenen werd het
Marillion. De eerste versie bestond uit drummer Mick Pointer, gitarist
Steve Rothery, bassist Doug Irvine en toetsenist Brian Jelliman. Na de
opname van hub eerste instrumentale demo The Web, verlieten Irvine en
Jelliman de band. Hun vervangers werden respectievelijk Pete Trewavas
en Mark Kelly en later voegde zanger Derek Dick, beter bekend als Fish
zich bij het gezelschap. De eerste twee jaar van de jaren 80 stonden in
het teken van veel optreden waaronder een groot aantal in de roemruchte
Marquee Club in Londen en slijpen aan het geluid, dat sterk neigde naar
Genesis. Het harde werken werd in 1982 beloond met een contract voor EMI,
voor wie ze de single Market Square Heroes opnamen. Gestoken in een hoes
van Mark Wilkinson, een fantasy-tekenaar die veel van de latere albums
van ontwerpen zou voorzien evenals het sierlijke logo. Het eerste volledige
album volgde in 1983 en Script For A Jester's Tear was gevuld met lange,
complexe, orchestrale composities voorzien van poëtische teksten.
De droom van iedere progliefhebber. De nachtmerrie van menig rockjournalist.
In hun ogen waren de nummers te moeilijk en vol met pretenties, maar live
was Marillion een verademing. Voor het grootste deel was dat te danken
aan de wijze waarop Fish het podium bestreek, zijn gezicht volledig beschilderd,
hele glazen bier vanonder het drumstel wegdrinkend en gezellig kwebbelend
met het publiek. En de nummers vertolkte hij op een absurde theatrale
manier. Dit was volledig tegenovergesteld aan wat Marillion's voorgangers
in het genre op het podium deden: hier zat humor in, zoals blijkt uit
Garden Party van de debuutplaat. Met het succes van de eerste plaat, kwam
ook de eerste barst in het fundament van Marillion: drummer Mick Pointer
hield het voor gezien en trok zich terug uit de muziek, zodat de groep
op zoek moest na een vervanger. En het vergde heel wat audities totdat
met voormalig Curved Air- en Steve Hackett-drummer Ian Mosley een goede
gevonden was. Met Mosley dook Marillion de studio in en nam Fugazi op.
Het verschil met Script was meteen duidelijk: de songs waren over het
algemeen korter en feller. In de tussentijd had Marillion een trouwe schare
fans opgebouwd door het veelvuldig touren. Het eerste tastbare bewijs
daarvan was de liveplaat Real to Reel in 1985. In juni van datzelfde jaar
kwam het meest ambitieuze album van Marillion uit. Een conceptplaat over
het verlies en terugkrijgen van kinderlijke onschuld. Misplaced Childhood
bracht een perfecte combinatie van radiovriendelijke nummers en progressieve
rock. Hiermee kwam ook het eerste commerciële succes met de singles
Kayleigh en Lavender. Niet iedereen kon de weelde van de supersterrenstatus
dragen en met name Fish ging zich als zodanig gedragen: nachtenlange feesten,
drank- en drugsgebruik en een ego van jewelste. Terwijl de band stoeide
met de verkregen popstatus, verwijderde Fish zich steeds verder van de
groep hetgeen duidelijk werd op de volgende plaat Clutching At Straws.
Tekstueel getuigde dit album van de drankverslaving van Fish en muzikaal
was het meer een verzameling losse nummers van wisselende kwaliteit om
deze teksten in de etalage te kunnen zetten. De groep die eens dreef op
democratie was verworden tot een vehikel voor Fish. In de november 1988
barstte de bom tijdens de voorbereidende sessies voor een nieuwe CD en
verliet Fish de band. Het live-album The Thieving Magpie was het laatste
product van Marillion met de Schotse leadzanger. Hoewel duidelijk een
produkt van de platenmaatschappij om het gat met fase 2 op te vullen,
staan er op deze plaat enkele bijzondere live-uitvoeringen uit diverse
concerten. Zoals bijvoorbeeld een complete uitvoering van Misplaced Childhood
en nummers van de laatste studioplaat Clutching At Straws zoals dit Sugar
Mice.
Top
IQ
Q werd in 1981 opgericht en een jaar later toerde de band al door het
gehele Verenigd Koninkrijk. In oktober van 1982 bracht IQ hun debuutalbum
uit op cassette, Seven Stories Into Eight. De muziek kon worden omschreven
als krachtige, melodieuze muziek. Dat de leden allen uitstekende muzikanten
waren, werd duidelijk tijdens de live-optredens, waarbij ook het visuele
aspect niet werd vergeten. Hierdoor bouwt de band in zeer korte tijd een
trouwe schare fans op. Het allereerste hoogtepunt was een optreden in
de fameuze Marquee-club in London als hoofdact. In 1983 verschijnt het
eerste album op vinyl, Tales From The Lush Attic. Dit levert een optreden
op bij het radioprogramma Friday Rock Show van de BBC. In 1985 brengt
IQ The Wake uit, een plaat die als één van meest klassieke
prog-albums van de jaren 80 wordt beschouwd. Voor de televisie neemt de
groep een concert op van een uur dat later als Living Proof wordt uitgebracht
op elpee en video. Een tournee door Groot-Brittannië als voorprgrogramma
van Wishbone Ash volgt en kent als hoogtepunt een concert in het Hammersmith
Odeon, de rocktempel van London. De spanningen die het schrijven en opnemen
van The Wake, in combinatie met zo'n 200 optredens in één
jaar, hebben tot gevolg dat zanger Peter Nicholls de band verlaat. Zijn
opvolger heet Paul Menel. Met Menel treedt IQ op in het Londense Picadilly
Theatre en dat heeft een lucratief contract met platenmaatschappij Phonogram
tot gevolg. Er wordt ook nog getoerd met Magnum en in 1987 verschijnt
het derde studio-album Nomzamo. Op deze plaat werd een koerswijziging
richting iets commerciëlere muziek duidelijk en ook werd er voor
het eerst in Europa opgetreden. Daaruit blijkt dat IQ een gigantische
schare fans heeft. De opvolger van Nomzamo komt uit in 1989. Are You Sitting
Comfortably? is geproduceerd door Terry Brown, bekend van zijn werk met
Rush. Tijdens een toernee met Mike And The Mechanics door Europa wordt
deze plaat gepromoot. Na afloop hiervan verlaten zanger Paul Menel en
bassist Tim Esau de groep, als gevolg van een verschil van mening over
de te varen koers.Een nieuwe bassist wordt gevonden in de persoon van
Les Marshall en een toevallige ontmoeting met Peter Nicholls leidde ertoe
dat hij andermaal bij IQ komt zingen. Helaas was deze bezetting slechts
2 concerten gegund, want Ledge Marshall komt plotseling te overlijden
in de zomer van 1990. De groep besluit door te gaan en de release van
een liveCD J'ai Pollette d'Arnu, een CD die aangevuld wordt met niet eerder
uitgebrachte opnamen markeert de geboorte van het eigen label Giant Electric
Pea. Ook een nieuwe bassist wordt gevonden in de persoon van John Jowitt,
die tot dan toe naam had gemaakt in de band Ark. In november van 1991
geeft dit hernieuwde IQ een concert in Paradiso in Amsterdam, een concert
dat door de lezers van het blad SI Magazine tot beste van dat jaar werd
verkozen. Twee jaar later volgt het Amerikaanse live-debuut voor IQ tijdens
het ProgFest festival in Los Angeles. Daar spelen zij onder meer nummers
van het nieuwe nog te verschijnen album Ever, dat in juni van 1993 ten
doop wordt gehouden in de Kleefse Stadthalle. Dit concert wordt opgenomen
en verschijnt in 1996 onder de titel Forever Live. In dat jaar verschijnen
ook de eerdere platen opnieuw, geremastered en voorzien van bonustracks
op het eigen label, want de rechten zijn weer in eigen handen. Begin 1997
begint IQ aan een nieuwe plaat, resulterend in de dubbele conceptCD Subterranea.
De theatershow die daarvan wordt gegeven bevat videoprojecties en een
imposante lichtshow. Subterranea wordt beschouwd als het meesterwerk van
de groep en het allerlaatste liveconcert van dit concept in Tilburg wordt
gefilmd en wordt uitgebracht op CD en video en inmiddels op DVD. Ook is
de debuutcassette Seven Stories Into Eight opnieuw opgenomen en verschenen
onder de titel Seven Stories Into '98. Het jaar 2000 wordt gebruikt om
een nieuw album te schrijven en op te nemen en in februari 2001 verschijnt
The Seventh House. In datzelfde jaar viert IQ tevens haar 20-jarig bestaan
met een aantal concerten, die als voorprogramma de groep The Lens heeft.
The Lens kan beschouwd worden als een voorloper van IQ, waarvan een aantal
vroege composities op een CD verschijnen. Ook in 2002 wordt het 20-jarig
bestaan doorgevierd onder het motto 20 years of prog nonsense.
En dit staat de fan van IQ te wachten voor 2003:
Een DVD van de concerten rond het 20-jarig bestaan
Een biografie in boekvorm
Een nieuwe studioCD
Een heropname van Tales From The Lush Attic, onder de titel Return To
The Lush Attic
Top
Triumvirat
Triumvirat werd in 1969 geformeerd in de Duitse stad Keulen. Zij waren
begonnen als een soortement van Duitse variant op The Nice en de groep
bestond uit Jürgen Fritz, een klassiek geschoolde pianist, drummer
Hans Bathelt en bassist Werner Frangenberg. Deze laastste werd al in een
vroeg stadium vervangen door Hans Pape, omdat hij de voorkeur had gegeven
aan een andere band waarin hij ook speelde. Pape werd niet alleen de bassist,
maar tevens de zanger. Daarmee was de vergelijking met Emerson, Lake &
Palmer compleet. De groep begon met het componeren van eigen nummers.
Toen de Duitse tak van platenmaatschappij EMI op zoek bleek te zijn naar
nieuwe bands, stuurde Triumvirat een demo in en daaruit volgde een een
contract. In 1972 kwam de eerste elpee uit op het sublabel van EMI, Harvest:
Mediterranean Tales: Across The Waters. Het album was redelijk succesvol
en dus mochten de heren een opvolger maken. Zij hadden inmiddels een manier
van werken ontwikkeld, die gegarandeerd voor een goede plaat zou zorgen.
Jürgen Fritz bedacht in grote lijnen de muziek. Vervolgens voegde
Bathelt daar de teksten aan toe die door Pape werden ingezongen. De teksten
waren aan elkaar verbonden, zodat er sprake was van een concept. Het gevolg
was Illusions On A Double Dimple uit 1974, een blik op het leven van de
rijken en de armen, gezien vanuit de laatstgenoemde. Tijdens de opnamen
van die plaat had Pape besloten de band te verlaten om meer tijd te besteden
aan zijn gezin. Diens opvolger werd Helmut Köllen, een neef van toetsenist
Fritz. Ook Köllen beschikte over een goede stem, schreef teksten
en kon componeren. De kritieken op de plaat waren overweldigend en behalve
Duitsland kregen ook Oostenrijk en Zwitserland oor voor Triumvirat. Een
medewerker van de platenmaatschappij stuurde Illusions naar Amerika, deze
sloeg aan en een aantal concerten aldaar waren het gevolg. Het succes
kon niet op en een volgende plaat kon worden gemaakt. Deze keer ging het
verhaal over de slaaf Spartacus die in opstand komt tegen de Romeinse
overheersing. In 1975 werd deze toonaangevende progressieve rockplaat
uitgebracht en werd een groot succes, ook in de VS. Maar ondanks dat Spartacus
radiovriendelijke, korte stukken bevatte, werd het niet de topplaat die
men had verwacht. Tot overmaat van ramp deelde Helmut Köllen aan
het einde van de Amerikaanse tour mee, dat hij de groep ging verlaten.
Fritz en Bathelt waren weer terug bij af. Werner Frangenberg werd teruggevraagd
als bassist en Barry Palmer werd de nieuwe zanger. De plaat Old Loves
Die Hard was hiervan het eerste resultaat, maar onder druk van de platenmaatschappij,
die heel graag een hitsingle voor de groep wilde scoren, kwam deze plaat
niet uit de verf. Dit had tot gevolg dat de 2 nieuwe aanwinsten al weer
snel de band verlieten evenals Hans Bathelt en Triumvirat leek op te houden
te bestaan. In de tussentijd was de voormalige bassist Köllen aan
een soloplaat begonnen waaraan ook Fritz meewerkte. De twee besloten om
Triumvirat weer nieuw leven in te blazen en een plaat te maken gebaseerd
op de gebeurtenissen in Pompei tijdens de uitbarsting van de Vesuvius.
Sommige zangpartijen waren echter niet geschikt voor het bereik van Köllen
en werd er besloten een tweede zanger aan toe te voegen. Dit markeerde
de terugkeer van Barry Palmer met wie Köllen een goede samenwerking
had opgebouwd. Kort daarna echter sloeg het noodlot toe: na een lange
opnamesessie besloot Köllen om in zijn auto nog even naar de opnames
te luisteren. Na een uur luisteren in zijn onvoldoende geventileerde garage,
liep hij een koolmonoxidevergiftiging op, waaraan hij overleed. Köllen
werd slechts 27 jaar. De klap was groot, maar Fritz wilde doorgaan, samen
met Barry Palmer en met de nieuwelingen Curt Cress en Deter Petereit op
respectievelijk drums en bas. Deze groep ging even door het leven als
The New Triumvirat en bracht Pompei uit. Het nummer Hymn was een bescheiden
hit in Duitsland, maar het buitenland was Triumvirat inmiddels vergeten.
Toch kwamen er nog twee platen A La Carte en Russian Roulette, vrijwel
volledig met sessiemuzikanten gemaakt, dus van een echte groep was geen
sprake meer en muzikaal had het ook niets meer met te maken met de typische
Triumvirat-sound. Fritz ontbond in 1979 de band en ging solo, echter met
wisselend succes en Barry Palmer zong nog op Mike Oldfield's plaat Discovery.
In 1999 kwam echter het nieuws dat Fritz, samen met Curt Cress en zanger
Grant Stevens, die ooit eens met Fritz aan een filmsoundtrack had gewerkt,
weer nieuw leven had geblazen in Triumvirat. Er volgde een aankondiging
van een nieuwe plaat, The Website Story en in 2002 kwamen alle oude platen
opnieuw uit op CD, geremastered en voorzien van bonustracks.
Top
Pallas
Pallas heeft als thuisbasis Aberdeen in Schotland en kent sinds 1979
een eerste stabiele bezetting in de personen van gitarist Niall Mathewson,
toetsenist Ronnie Brown, bassist Graeme Murray, zanger Euan Lowson en
drummer Derek Forman. In die beginperiode moest Pallas het voornamelijk
hebben van veelvuldig live optreden en in eigen beheer maken van demo's.
Door het succes van Marillion aan het begin van de jaren 80 wilde paltenlabel
EMI nog wel zo'n hoopvolle progressieve rockact in hun stal halen en de
keuze viel op Pallas in 1983. De eerste release was de EP Arrive Alive,
die hoofdzakelijk bestond uit nummers die al veelvuldig live waren gespeeld
en die in een of andere vorm al waren uitgekomen. Een jaar later toog
de band naar de Verenigde Staten om met de vermaarde producer Eddie Offord
hun debuutplaat op te nemen. Offord was sinds de jaren 70 een bekende
naam door zijn werk met Yes en Emerson, Lake & Palmer en had zich
inmiddels in de VS gevestigd. Het resultaat was The Sentinel, een in een
prachtige hoes, door de fantasykunstenaar Patrick Woodroffe ontworpen,
gestoken album met een verzameling progressieve rocknummers, inclusief
een concept genaamd Atlantis, maar die in werkelijkheid handelde over
zoiets hedendaags als de Koude Oorlog. The Sentinel wordt nu nog beschouwd
als een klassieker uit de 80-er jaren. Nadat de bijbehorende toernee was
afgerond gaf zanger Euan Lawson er de brui aan en moest de band op zoek
naar een geschikte opvolger. Na een advertentie in de Melody Maker werd
Alan Reed de nieuwe zanger. Hij werd door middel van de EP Knightmoves
aan de fans voorgesteld. Het tweede volledige album, en de eerste met
Reed, kwam in 1986 uit. The Wedge was voor de liefhebbers van The Sentinel
wel even slikken, want er was nog maar heel weinig overgebleven van de
originele sound. De nummers waren korter en commerciëler. Pallas
was meer een soort Asia geworden, dan de vaandeldragers van de oude progressieve
rock. Dat gezegd hebbende, was er ook iets positiefs te melden. The Wedge
sprak een breder publiek aan en verkocht alleen al in Europa 100.000 exemplaren.
Toch bleek dat niet voldoende te zijn om de relatie met EMI te continuëren
en de band lastte een rustperiode in. Een periode die wel gevuld werd
met sporadische optredens, nummers schrijven en opnemen, maar uitgebracht
werd er hoegenaamd niets. Alles bij elkaar genomen duurde deze periode
13 jaar, tot 1999 toen eindelijk het derde officiële album verscheen:
Beat The Drum. Het Duitse label Inside Out had de band een contract aangeboden
en bracht ook nog eens alle voorgaande albums opnieuw uit. Beat The Drum
zette een streep onder de voorgaande moeilijke periode, maar straalde
desondanks een enorme energie, wilskracht en inzet uit. Pallas was weer
helemaal terug. Met een schone lei kon begonnen worden aan de voorbereidingen
voor een geheel nieuw album. Dat zou uiteindelijk The Cross And The Crucible
worden in 2001. Muzikaal was het een combinatie van de stijl The Sentinel
en het werk van The Wedge. Pallas had zijn plaatsje gevonden. Het concept
van The Cross And The Crucible bestond uit het ontrafelen van de geheimen
van het menselijk ras en de plaats van het individu daarin. De mens is
in staat enerzijds prachtige dingen te creëren en anderzijds de meest
wrede oorlogen te voeren, al dan niet uit naam van een religie. Vandaar
de naam The Cross And The Crucible. Pallas bewijst dat de looptijd van
een band niet altijd af te leiden is uit de hoeveelheid albums die men
uitbrengt, maar aan de andere kant is het de groep er alles aan gelegen
niet nogmaals in de vergetelheid te raken. Hiertoe werd een CD-ROM uitgebracht,
genaamd Mythopoeia met een overzicht van de carrière van de groep
tot aan 2001, inclusief hetgeen gebeurde in die rustperiode van 13 jaar.
En in 2002 werd een concert in De Boerderij in Zoetermeer opgenomen om
later dit jaar uitgebracht te worden als DVD en dubbelCD onder de titel
The Blinding Darkness. Dit concert bevatte tevens een gastoptreden van
de originele zanger Euan Lawson om aan te geven dat diens vertrek 20 jaar
geleden niet met haatgevoelens gepaard ging. Het verhaal van Pallas is
nog lang niet uitverteld.
Top
Pendragon
Opgericht in 1977 als Zeus Pendragon, maar het eerste deel werd al snel
losgelaten. De beginperiode verliep moeizaam, althans daar waar het een
platencontract betreft. De muziekwereld werd gedomineerd door punk en
new wave en voor progrockers was geen plaats. En al helemaal niet wanneer
je naam was afgeleid uit de Arthuriaanse legende. Pas toen Marillion in
1982 enig commercieel succes oogste, volgden vele bands in hun voetspoor,
dus ook Pendragon. Zij traden op tijdens het befaamde Reading Festival
en kregen een contract bij Elusive Records, het label van Marillion's
toenmalige manager. Er werden twee platen gemaakt: de EP Fly High Fall
Far en het volledige album The Jewel. Er werd uitgebreid getourd, niet
alleen in Engeland, maar ook in Frankrijk, Duitsland en Nederland onder
meer in het voorprogramma van Marillion tijdens diens Misplaced Childhood-tour.
Hun concert in Vredenburg Utrecht op 16 oktober 1985 was tevens de laatste
met toenmalig toetsenist Rik Carter. Deze werd vervangen door Clive Nolan
en ook werd er een nieuwe drummer aangetrokken, Fudge Smith. Met de overgebleven
oprichters Nick Barret en Peter Gee was de klassieke bezetting compleet.
Een concert in de befaamde Marquee Club in hartje London werd vereeuwigd
op de plaat 9:15 LIVE en platenmaatschappij EMI liet ze een aantal demo's
opnemen, maar bood de band geen contract aan. Gedwongen door de slechte
situatie in de muziekindustrie, voelde Pendragon zich genoodzaakt een
eigen platenmaatschappij op te richten, Toff Records genaamd. Op dit label
zouden voortaan alle Pendragon-releases verschijnen, te beginnen met Kowtow
in 1988. Niet helemaal een gelukkige keus als eerste release op het eigen
label, want juist dit album is afwijkend van wat je de traditionele Pendragon-sound
zou kunnen noemen. Maar helemaal verwonderlijk is het niet, want Kowtow
is eigenlijk de eerder genoemde demo die ze voor EMI hadden opgenomen
en duidelijk een meer commerciële inslag kent. Het zij ze vergeven,
al was het alleen maar voor het prachtige titelstuk.
Het eerste bewijs van een echt eigen geluid werd geleverd op The World
in 1991. De karakteristieke zang van Nick Barret droeg er natuurlijk toe
bij dat ze bij vergelijking met andere bands uit dezelfde periode, iets
unieks hadden. De nummers kenmerkten zich door het sterke melodieuze karakter
met veel nadruk op de gitaar. Toetsenist Clive Nolan voegt mooie geluiden
toe en verzandt nergens in eindeloos gesoleer. Maar datgene wat Pendragon
er zo uit doet springen is emotie, zowel in de zang als de instrumentale
passages. Dat emotionele en tot de verbeelding sprekende, wordt nog versterkt
door het hoesontwerp van Simon Williams. In elk hoekje valt wel iets te
ontdekken en The World markeert het begin van een samenwerking tussen
de groep en de kunstenaar. In 1993 siert wederom een prachtige tekening
van Williams de hoes van een Pendragon CD: Window Of Life laat horen hoe
de band zich meer en meer op zijn gemak voelt met de ingeslagen weg. Duidelijk
herkenbaar zijn de sterke melodiën, betekenisvolle teksten en creatieve
arrangementen. Van de tournee die volgde op deze plaat werd een concert
in Vredenburg opgenomen en uitgebracht als liveplaat Utrecht ... The Final
Frontier. Maar het beste materiaal van de band tot dan toe, moest nog
komen. En dat kwam er, in 1996 met The Masquerade Overture. Voor velen
tot op de dag van vandaag het ultieme Pendragon-album. Het openingsnummer
wil de luisteraar nog wel eens op het verkeerde been zetten: dit lijkt
wel opera. Maar vanaf het tweede nummer klinken de herkenbare elementen
van het samenspel van gitaren en toetsen en de soms melancholische zang
van Nick Barret. Als aanvulling hierop verscheen nog As Good As Gold met
een drietal niet eerder uigebrachte nummers. Tot 2001 duurde het voordat
er een nieuwe studioCD verscheen, nadat we eerst bestookt werden met allerlei
archiefopnames, liveCD's en live video's. In die periode werden ook de
fans in Zuidamerika bedient met een aantal live-optredens in Chili, Argentinië
en Brazilië. Maar zoals gezegd, in 2001 verscheen de tot heden laatste
studioCD Not Of This World, waarmee de groep hun status verstevigd en
laat blijken al lang niet meer als kloon van bij voorbeeld Marillion gezien
kan worden. Pendragon heeft een herkenbaar, eigen geluid met een geheel
eigen schare fans. En dat in de nummers ontdaan van alle elektronische
snufjes ook prima uit de verf komt bevestigd de in 2002 uitgebrachte liveCD
Acoustically Challenged. Dit heeft er mede toe geleid dat Nick Barret
en Peter Gee opnieuw de podia betreden als Pendragon Unplugged in het
voorprogramma van de huidige tournee van Arena.
Top
Steve
Hackett
Steve Hackett, bekend geworden als gitarist van Genesis, de groep waarvan
hij in 1971 lid werd als opvolger van Anthony Philips. Zijn eerste plaat
met Genesis was Nursery Cryme en het was meteen hoorbaar dat deze gitarist
een mate van intellect, complexiteit en diversiteit toevoegde aan de muziek.
Hij zou aanblijven tot en met de plaat Wind And Wuthering, voordat hij
zich definitief ontworstelde aan de beperkingen van een groep. In de tussentijd
had hij al diverse solo-platen op zijn naam staan, omdat meer en meer
composities die hij aan Genesis voorstelde het niet haalde op de uiteindelijke
albums. Zijn eerste solo-elpee was Voyage of The Acolyte uit 1975. Peter
Gabriel had Genesis net verlaten en de rest van de groep wist nog niet
zo goed hoe verder te gaan. In die periode ontdekte Hackett de Mellotron
en ging ermee aan het stoeien. Hij had een paar muzikale ideeën waarvan
hij wist dat de rest van de groep ze verafschuwden en juist dat spoorde
hem aan ermee door te gaan. Op deze wijze kon hij zijn eigen creativiteit
de vrije loop laten. Op Voyage Of The Acolyte wordt hij wel bijgestaan
door zowel Phil Collins als Mike Rutherford en ook door zijn broer, John
en Sally Oldfield. Een aantal nummers van deze plaat maakte heel lang
onderdeel uit van zijn live-optredens en het album als geheel wordt door
velen gezien als het beste Genesis-album dat ze nooit maakten. Het duurde
tot 1978 voordat er weer een plaat van Hackett verscheen, maar nu was
het dan definitief als solo-artiest. Vlak nadat hij Genesis verliet nam
hij Please Don't Touch op waarop werd meegewerkt door Richie Havens en
Randy Crawford. Voor de tournee die hierop volgde werd er een vaste band
samengesteld, omdat het voor de gastmuzikanten van het album onmogelijk
bleek om mee te gaan op tour. De begeleidingsband van Hackett werd een
zo goed op elkaar ingespeelde formatie, dat hij met deze mensen de studio
inging om een nieuwe plaat te maken. Er werd gekozen voor de Wisseloord
Studio's in Hilversum als plaats voor wat de plaat Spectral Morning zou
worden. Meer en meer werd duidelijk dat de interesses van Hackett niet
beperkt bleven tot progressieve rock. Oosterse invloeden kondigden zich
aan en ook een zekere vorm van humor drong door tot zijn muziek. Nu eens
werden de grappen tekstueel gemaakt, dan weer muzikaal met vreemde wendingen
en muziekinstrumenten. Maar we gaan nu eerst terug naar daar waar het
allemaal begon: de eerste soloplaat Voyage Of The Acolyte uit 1975. Dit
is Star Of Sirius.
Op zijn volgende album liet Hackett zich weer van zijn gevoelige kant
zien, door het thema van de verscheuring tussen oost en west aan te pakken.
Op Defector lopen de belevenissen van een overloper als een rode draad
door de muziek. Aanleiding voor dit thema waren zijn eigen ervaringen
in het oostblok waar het altijd leek alsof er daar geen kleuren bestonden.
Ook voelde hij zich meer en meer op zijn gemak en betrokken bij het proces
van touren. Hij was er eindelijk klaar voor om in het middelpunt van het
podium te staan en er ook nog van te genieten. Dit was het laatste album
waarop Hackett samenwerkte met een uitgebreide cast aan muzikanten, want
voor zijn volgende plaat Cured koos hij voor een meer studiogerichte benadering
dan een groepsgevoel. Ook gaat hij zich meer en meer ontwikkelen als zanger.
Voordat zijn nieuwe album verschijnt is er ook nog een verrassing voor
Genesis-fans: in 1982 is het oude Genesis eenmalig bijeen voor een liefdadigheidsoptreden
om het armlastige WOMAD-project van Peter Gabriel uit het slop te trekken.
Van een reünie komt het echter niet en Hackett gaat door op de ingeslagen
weg. Achter elkaar verschijnen Highly Strung, een rockplaat, Bay Of Kings,
een meer akoestisch album en Highly Strung, met Zuidamerikaanse samba-invloeden.
De flexibiliteit van zijn fans worden door Hackett danig op proef gesteld.
Dan volgt het nieuws dat Hackett andermaal tot een band toetreedt en wel
de groep GTR met Yes-collega Steve Howe. Hij zag het idee wel zitten:
een groep rond twee gitaristen en aanvankelijk wierp de samenwerking zijn
vruchten af. Al op de eerste dag dt de twee samen speelden componeerden
ze de hitsingle When The Heart Rules The Mind. En ook de tour die volgde
op het debuutalbum werd een groot succes. Maar de samenwerking liep stuk
en Hackett ging solo verder. Er volgde wederom een akoestisch album Momentum,
en er werd een start gemaakt met een rockplaat waarop wordt meegewerkt
door Queen-gitarist Brian May, Chris Thompson van Manfredd Mann's Earth
Band en de twee Marillion-leden Pete Trewavas en Ian Mosley. Om contractuele
redenen zou het tot 2000 duren voordat dit album, getiteld "Feedback
86" verschijnt. Hackett's niet te stuiten productie heeft maar één
doel: zoveel mogelijk optreden en de plaat Time Lapse is daar een goed
bewijs van, met 2 concerten uit twee verschillende periodes met twee verschillende
bands. De volgende studioplaten Guitar Noir en Blues With A Feeling maken
een cirkel rond, want Steve Hackett is dan daar waar het allemaal begon:
zijn eerste invloeden en inspiratie. Wellicht is zo ook te verklaren dat
hij vervolgens een nieuw bezoek brengt aan zijn Genesis-verleden door
middel van Genesis Revisited en de daaruit voortvloeiende liveset The
Tokyo Tapes. En na andermaal in groepsvorm opgetreden te hebben is het
tijd voor het minimalistische werk van Erik Satie. Samen met zijn broer
John herbewerkt hij composities van deze Fransman tot een duet voor gitaar
en fluit. Iets heel anders dan zijn fans van hem gewend zijn, maar het
past wel in het karakter van Steve Hackett. Hierna verschijnt ook nog
een 4 CD set uit de archieven van live-optredens en een tour in Zuid Amerika
verschijnt op DVD. En volgende maand is de release van andermaal een rockplaat:
To Watch The Storms. De bron van Hackett is nog lang niet uitgeput.
Top
Mike
Oldfield
Mike Oldfield was 14 jaar oud toen hij een muzikale carrière begon
samen met zijn zus Sally als het folk-duo Sallyangie. Het duo maakte samen
één plaat, toen Mike toetrad tot de groep van Kevin Ayers
als gitarist. In 1971 viel deze band uit elkaar en Oldfield continueerde
de muziek, waarmee hij een jaar eerder voor zichzelf was begonnen. Dit
zou resulteren in Tubular Bells, maar geen enkele platenmaatschappij was
geïnteresseerd totdat Richard Branson met zijn pas opgerichte Virgin
Records het besluit nam om met Oldfield in zee te gaan. Tubular Bells
verscheen in 1973 als eerste release op dat label en werd een groot succes.
Oldfield was 19 jaar en wist zich geen raad met alle aandacht die zo'n
succes met zich meebracht. Hij trok zich terug en hield zich uitsluitend
met componeren bezig. Er verschenen nog 2 albums "Hergest Ridge"
en "Ommadawn" en tot 1978 liet Oldfield niets meer van zich
horen. Van liveconcerten was slechts sporadisch sprake, want eigenlijk
hield de zonderling niet zo van optreden. Pas in 1979 toen Oldfield met
behulp van therapie over zijn terughoudendheid en perfectionisme was heengekomen,
waagde hij zich op het podium om zijn nieuwste plaat Incantations te promoten.
Met maar liefst zo'n 100 personen in de vorm van band, orkest en koor
ondernam hij een tournee, waarvan een gedeelte terecht is gekomen op de
live-dubbelaar Exposed. Gezien de grootte van deze onderneming is het
dan ook niet vreemd dat er gigantische verliezen werden geleden. Dit dwong
Oldfield ertoe om in het vervolg met een kleinere groep muzikanten op
tour te gaan. Nadat de plaat Platinum was verschenen, bestond de liveband
nog maar uit zo'n 12 mensen en tijdens de QE2 tour, nog maar 6. Oldfield
had eindelijk een balans gevonden tussen het zo goed mogelijk reproduceren
van een plaat met voldoende muzikanten. Muzikaal was ook een verschuiving
merkbaar naar meer pop-gerichte nummers. "Guilty" een poppy
nummer, werd een grote hit en hij had zelfs een nummer van Abba gecovered:
"Arrival". Zijn fans van het eerste uur waren allerminst blij,
maar het commerciële succes nam alleen maar toe, met als absolute
hoogtepunt het album Crises met de hitsingles Moonlight Shadow en Shadow
On The Wall. Die tour in 1983 bracht Oldfield overigens voor de tweede
maal naar Nijmegen. In 1984 had Oldfield genoeg van het constante plaat
uitbrengen, touren, plaat uitbrengen, touren, enzovoort. Hij ondernam
iets nieuws: hij ging filmmuziek maken en wel voor The Killing Fields.
Er volgden nog een paar platen: Islands, Earth Moving, Amorok (bedoeld
als Ommadawn deel 2) en Heaven's Open maar een groot succes werden ze
geen van allen, temeer daar aangekondigde tournees op het laatste moment
werden afgelast. Inmiddels was Oldfield bevrijd van zijn contract met
Virgin en hij ging met Warner Brothers in zee voor 3 platen. De eerste
release op dat label was andermaal een Tubular Bells. Tubular Bells deel
2 kwam uit in 1992 en werd gevierd met een live-uitvoering in Edinburgh,
Schotland, die op TV werd uitgezonden en thans op DVD verkrijgbaar is.
Het commerciële succes was terug en er werd ook weer een korte tour
ondernomen, de zogenaamde 20th Anniversary Tour. De twee volgende platen
voor Warner waren Song From Distant Earth, losjes gebaseerd op een boek
van Arthur C. Clarke en Voyager, uniek in de historie omdat hierop een
groot aantal herbewerkte traditionele Ierse, Schotse en Spaanse volkswijsjes
staan, en slechts een handjevol originele Oldfield-composities. Oldfield
had zich inmiddels op Ibiza gevestigd om te ontsnappen aan de hectiek
van alledag tot hij erachter kwam dat Ibiza "the place to be"
was voor liefhebbers van house, techno en aanverwante stijlen. Hij werd
dan ook door deze stijlen beïnvloed bij het maken van deel 3 uit
de Tubular Bells story, die zijn première kende op 4 september
1998 in Londen in de stromende regen, op de dag af 6 jaar na de première
van TB2. Eén van de muzikanten was bassiste Carrie Melbourne.
Ook dit concert is op DVD verkrijgbaar. Het volgende jaar markeerde de
Then & Now tour, tot op heden de laatste tournee van Oldfield. Hierna
keerde hij terug naar zijn eigenlijke instrument, de gitaar. Op Guitars
worden alle klanken voortgebracht door diverse gitaren, al dan niet via
een gitaarsynthesizer. Het laatste project van de 20ste eeuw, was een
muzikale terugblik op gebeurtenissen uit de laatste 2000 jaar, zoals de
geboorte van Christus, de ontdekking van Amerika en de reizen in de ruimte.
The Millennium Bell kende zijn première op Oudjaarsavond 1999 in
Berlijn. Oldfield begon de 21ste eeuw met een muzikale virtuele wereld,
Music VR. Je kunt het spelen op de Personal Computer, voorzien van muziek,
verkrijgbaar op de CD Tres Lunas en deel 2 The Tube World is momenteel
in de maak. Tot slot rekende Oldfield af met een grote geest uit het verleden:
het imperfecte geluid op de originele Tubular Bells uit 1973. Om contractuele
redenen mocht hij 25 jaar lang geen nieuwe versie opnemen. Los van deze
beperkingen, nam hij de plaat helemaal opnieuw op, daarbij gebruikmakend
van de hedendaagse technologie. Tubular Bells 2003 verschijnt morgen en
dan is het 30 jaar na de release van de originele versie.
Top
Kansas
In 1972 startte officieel de band Kansas, afkomstig uit Topeka in de
staat Kansas. De groep bestond uit Kerry Livgren op gitaar, Dave Hope
op bas, drummer Phil Ehart, Robby Steinhardt op viool, toetsenist/zanger
Steve Walsh en gitarist Richard Williams. Het duurde tot 1974 vooraleer
de groep een eerste plaat mocht maken, waarop ze hun mix van progrock,
hardrock en klassiek konden laten horen. Met name door het gebruik van
de viool en grootse orkestraties werden de klassieken invloeden duidelijk.
Deze typische Kansas-stijl zou op de latere albums nog worden uitgewerkt,
met hier en daar een zoete ballad. Het leeuwendeel van de muziek werd
geschreven door Livgren en Walsh, waarbij met name Livgren in tekstueel
opzicht de spirituele kant zocht en Walsh een meer wereldlijke visie had.
Pas na 3 albums pikte het grote publiek de muziek van Kansas op door de
single Carry On Wayward Son van de elpee Leftoverture, hun vierde. Leftoverture
laat een volwassen band horen, die op de top van hun kunnen speelt en
die één is met de door henzelf ontwikkelde muziekstijl.
Goede kritieken in de pers was hun deel en Kansas werd veelvuldig gedraaid
op de radio. Een jaar later,in 1977, deed de groep datgene wat niemand
eigenlijk verwachtte: ze kwamen met een nog betere plaat. Point Of Know
Return, met de hitsingle Dust In The Wind werd een nog groter commercieel
succes, mede doordat de composities van Kansas korter en compacter werden.
Het werd tijd voor de jongens uit Kansas om te oogsten. Hun eerste officiële
live-album kwam uit om te bewijzen dat de band niet voor niets bekend
stond als een uitstekende live-band. De volgende studio-plaat Monolith
was de eerste die door de groep zelf werd geproduceerd, maar bevatte niet
de magie van Leftoverture of Point Of Know Return en ook de eerste plaat
in de jaren 80, Audiovisions wist geen groot publiek te bekoren en de
eerste tekenen van problemen dienen zich aan. In dat licht is het wellicht
aardig om het volgende te melden: het nummer Sparks Of The Tempest werd
traditiegetrouw tijdens concerten als volgt beëindigd: de herhaling
van het intro staat op band en zodra dat wordt ingestart verlaten de groepsleden
één voor één het podium totdat het hele podium
leeg is en alleen de klanken vanaf tape nog te horen zijn. Nooit als zodanig
bedoeld natuurlijk, maar wel tekenend. Al sinds enige tijd hadden gitarist
Kerry Livgren en bassist Dave Hope zich openlijk tot het christendom bekeerd
en met name Livgren uitte dit zeer expliciet in de songteksten. En dat
zorgde voor tweespalt in de groep, met name tussen Walsh en Livgren. Walsh
vertrok en werd vervangen door John Elefante, ook al overtuigd Christen.
Vinyl Confessions, de eerste plaat zonder Walsh, liep dan ook over van
de christelijke invloeden, hetgeen veel fans van Kansas deed vervreemden.
Hierdoor besloot ook violist Steinhardt de groep te verlaten en kreeg
Livgren tot overmaat van ramp ook nog te maken met een heus "writer's
block". De plaat Drastic Measures uit 1983 kwam dan ook geheel voor
rekening van nieuweling Elefante. Voor vele fans is dit dan ook enkel
in naam een Kansas-plaat, want geen van de originele ingrediënten
was meer aanwezig. Een jaar later werd de groep ontbonden toen Livgren
en Hope weggingen om de religroep AD op te richten. Posthuum verscheen
er nog een Best Of-album met één nieuw nummer en dat was
het dan. Tot 1986, want toen werd Kansas opnieuw opgericht, ditmaal met
Phil Ehart, Richard Williams en Steve Walsh als originele leden. Zij werden
aangevuld door gitarist Steve Morse en bassist Billy Greer. Het gevolg
was het album Power en hoewel een terugkeer naar de meer symfonische Kansas
hoorbaar was, was dit een overwegend poppy album. En toen de conceptplaat
In The Spirit Of Things ook al geen al te diepe indruk wist te maken,
was het voor de tweede maal over voor Kansas. In 1990 werd de groep overgehaald
om in redelijk originele bezetting, dus met Livgren en Hope een Europese
tour te ondernemen en dat beviel zo goed dat werd besloten om ook in de
VS op tour te gaan. Kort daana verliet Livgren andermaal de groep, maar
zou met enige regelmaat als special guest met de groep optreden. Ook een
nieuwe studioplaat werd opgenomen, Freaks Of Nature en een herbewerking
van klassiekers met symfonie-orkest Always Never The Same verschenen.
In 2000 kwam de eerste studioplaat met daarop de originele bezetting,
weliswaar op maar een paar nummers, maar Somewhere To Elsewhere, herbevestigde
de status en de levensvastbaarheid van Kansas. De band is vrijwel continu
aan het toeren en optreden en onderneemt een gezamenlijke Amerikaanse
tour met Yes in 2000. Een intiem opgezet optreden in 2002 vormt de basis
voor een CD/DVD-combinatie met alle grote hits en klassieke Kansas-nummers.
Onder de noemer Device Voice Drum verschijnt deze set in begin 2003. De
rest van dit jaar zal voor grootste deel in het teken staan van een toernee
in het kader van Device Voice Drum. En dat de heren het nog immer kunnen
bewijst Cheyenne Anthem.
Top
Genesis
Het boek van Genesis begint in 1965 wanneer op de kostschool Charterhouse
in Surrey, Engeland 2 schoolbands actief zijn: The Garden Wall met toetsenist
Tony Banks en zanger Peter Gabriel en The Anon met daarin gitarist Anthony
Phillips en bassist Mike Rutherford. Wanneer The Anon uit elkaar gaat
voegen Phillips en Rutherford zich bij Banks en Gabriel en zij nemen drummer
Chris Stewart mee. Deze groep gaat aan het werk en neemt diverse demo's
op waarvan er eentje belandt bij producer Jonathan King. Hij zorgt ervoor
dat ze een contract krijgen bij Decca Records en hij geeft de groep de
naam Genesis. Deze groep neemt 2 singles op: The Silent Sun, een soort
van BeeGees-achtig nummer en A Winter's Tale. Beide singles floppen, maar
de groep mag toch een heel album opnemen. In 1968 verschijnt From Genesis
To Revelation, de debuutplaat van Genesis. Hierop doet de band een poging
om in 10 nummers de historie van de mensheid vanuit een bijbels perspectief
te vertellen. Omdat de hoes geen bandnaam bevatte en eruit zag als een
Psalmenboek, belandde de eerste Genesis-plaat veelal in de bakken met
religieuze muziek: er werden er 650 verkocht. Inmiddels is drummer Chris
Stewart vervangen door John Silver, die op zijn beurt weer vervangen zal
worden door John Mayhew. Decca laat de groep zakken, maar ze blijven desondanks
nieuwe nummers schrijven en veelvuldig optreden. Tijdens één
van hun optredens worden ze benaderd door Tony Stratton-Smith, platenbaas
van het nieuwe label Charisma. Hij ziet wel wat in de muziek van Genesis
en wordt hun nieuwe manager. Dit resulteert in de tweede plaat, Trespass.
Hierop wordt de koers van de groep duidelijk: lange instrumentale passages,
veel tempowisselingen en dramatische zangpartijen. De optredens van Genesis
worden weliswaar goed bezocht, maar ze hebben onvoldoende fans om Trespass
in de hitlijsten te krijgen. Ontevreden over de te volgen koers verlaten
zowel gitarist Anthony Phillips als drummer John Mayhew de groep en de
zoektocht naar hun vervangers begint.…
Allereerst wordt er een nieuwe drummer aangetrokken, een jongeman die
als kind bekendheid genoot als acteur in speelfilms en musicals, luisterend
naar de naam Phil Collins. Maar zijn grote liefde was drummer zijn en
hij reageerde op een advertentie in Melody Maker. Een nieuwe gitarist
vonden ze in Steve Hackett en dit gezelschap neemt de derde plaat, Foxtrot
op. Hun optredens zijn inmiddels mini-toneelstukken geworden, waarin zanger
Peter Gabriel gehuld in verschillende kostuums de verhalen van de nummers
vertolkt. Met vleermuisvleugels en fluoriscerende ogen in "Watcher
Of The Skies" tot een bloemenmasker voor "Supper's Ready".
Dit had echter wel één vervelende consequentie: de internationale
muziekpers ging ervan uit dat Gabriel Genesis was en dat hij alleen verantwoordelijk
was voor de composities. We schrijven 1972 wanneer Genesis voor het eerst
in Amerika optreedt en een jaar later volgt een uitgebreide tournee door
de VS. Opnames voor het radioprogramma King Biscuit Flower Hour komen
terecht op de plaat Genesis Live. Het eerstvolgende studioprodukt wordt
Selling England By The Pound met daarop de eerste hitsingle: I Know What
I Like. In de teksten worden nu ook hedendaagse gebeurtenissen verwoord,
in plaats van de mythische verhalen van eerdere elpee's. Zo gaat de Battle
Of Epping Forest over twee rivaliserende bendes, naar ware gebeurtenissen.
Tony Stratton-Smith besluit dat hij zich terug moet trekken als manager
en maakt de weg vrij voor bijna-naamgenoot Tony Smith. Smith weet door
een aantal slim geboekte optredens de schuld van Genesis die 200.000 pond
bedraagt tot nul te reduceren. Een succesvolle Amerikaanse tournee wordt
gevolgd door enkele uitverkochte Engelse concerten en band is op het hoogtepunt
van hun roem. En zoals vaak in bands, gaat het hier mis en komen de frustraties
boven. Phil Collins wilt zich bijvoorbeeld meer op de jazzrock concentreren
en Peter Gabriel wordt gevraagd mee te werken aan een filmscript. Toch
weet de band in deze bezetting nog één plaat te maken: het
conceptalbum The Lamb Lies Down On Broadway. Deze dubbelpee vertelt het
verhaal van Rael, een straatschoffie die uitgroeit tot de redder van het
volk. Tijdens de tournee die geheel in het teken stond van The Lamb, inclusief
diaprojecties, lichtshow en diverse verkleedpartijen, geeft Gabriel aan
dat hij de groep wil verlaten om zich te concentreren op een solo-carrière.
Dit wordt voor de rest van de groep geheim gehouden tot de laatste paar
optredens, maar in 1975 is het zover: Gabriel verlaat Genesis en de zoektocht
naar een vervanger begint … Maar dat is een ander hoofdstuk in het boek
genaamd Genesis.
Top
Trevor
Horn
Trevor Horn is tegenwoordig bekend als producer, maar hij begon zijn
muzikale carrière als bassist. In zijn tienerjaren deed hij dat
in veel lokale, onbekende bandjes, zijn eerste muzikantenbaan was in de
begeleidingsband van disco-ster Tina Charles in de jaren 70. In die band
leerde hij toetsenist Geoff Downes kennen, en samen met hem experimenteerde
Horn met allerlei elektronica en maakte reclamejingles. In 1979 vormden
Horn en Downes samen met Bruce Woolley, Hans Zimmer en Thomas Dolby de
formatie Camera Club. Deze band was geen lang leven beschoren, en een
jaar later vormden Horn en Downes het duo The Buggles. De overige leden
van Camera Club zijn allemaal behoorlijk goed terecht gekomen trouwens.
Bruce Woolley werkte nog lang samen met Horn, Hans Zimmer werd een beroemd
componist en maakte de muziek voor films als Rain Man en Gladiator en
Thomas Dolby was aan het begin van de jaren 80 een wereldberoemd artiest
met hits als I Scare Myself en She Blinded Me With Science. De allereerste
plaat die het nieuwe duo Horn en Downes als The Buggles maakte was het
profetische Video Killed The Radio Star. Toen de plaat een wereldwijde
hit werd, lag de druk bij The Buggles om voor het einde van 1979 een heel
album af te leveren, maar ze hadden maar 3 songs. Het overige materiaal
dat uiteindelijk op The Age Of Plastic, de debuutplaat, terechtkwam werd
geschreven en opgenomen tijdens de hectiek van de promotiecampagne rond
Video Killed The Radio Star. Het werd al snel duidelijk dat de elpee geen
tweede Video Killed … bevatte en de twee volgende singles: Living In The
Plastic Age en Clean, Clean konden het eerste succes niet evenaren en
The Buggles leken bijna net zo snel te verdwijnen als ze waren gekomen.
Daar kwam nog bij dat het duo gevraagd werd om bij Yes te komen om de
weggelopen Jon Anderson en Rick Wakeman te vervangen. Een stap waarvan
Horn later zei dat ie wist dat het niet goed zat, maar zich had laten
overtuigen. Hij was sinds de jaren 70 een fan van Yes geweest en nu zat
hij zelf in die groep. Met Yes maakte Horn het album Drama en ging op
tournee door Amerika en Engeland. Maar de fans reageerden slecht op de
nieuwe zanger van hun favoriete band. Menige avond wist Horn de hoge noten
niet te halen en zong er menig maal naast, zodat een regen van bierflessen
zijn deel werd. Na 7 maanden verliet hij Yes alweer om te proberen The
Buggles weer nieuw leven in te blazen. Inmiddels was zijn relatie met
Geoff Downes ook dusdanig verslechterd zodat ook de tweede plaat Adventures
In Modern Recording geen samenhangend produkt was en dit leidde tot de
uiteindelijke breuk van het duo. Horn ging zich vervolgens geheel op het
produceren storten, want hij begon naam te maken in de muziekindustrie.
De eerste groep die hij produceerde was Dollar en het was de sound van
die plaat, die de leden van ABC opmerkzaam maakten op Horn. Zij vroegen
hem hun debuutplaat The Lexicon Of Love te produceren, met daarop hits
als The Look Of Love en Poison Arrow. De hand van Horn is duidelijk hoorbaar
en ABC wordt een beroemde groep. In 1983 voegt Trevor Horn zich andermaal
bij Yes, niet als zanger, maar als producer. Yes had 2 jaar stilgelegen
en een verjongingskuur ondergaan. Het album 90125 met de hit Owner Of
A Lonely Heart betekende de comeback van de groep en de ultieme wraak
van Horn. Het leverde Horn het predikaat Producer van het jaar op. De
successen volgen elkaar nu snel op: Frankie Goes To Hollywood, het eigen
ZTT-label met als bekendste groep zijn eigen Art Of Noise, Grace Jones'
Slave To The Rhythm, Propaganda en Seal. Overigens levert de tweede plaat
van Seal Horn zelfs een Grammy Award op als beste producer. In 1992 komt
Horn nog eenmaal samen met zijn oude maatjes van Camera Club: Bruce Woolley,
Hans Zimmer en Thomas Dolby om te werken aan de soundtrack voor de film
Toys en ook produceert hij deel 2 van Mike Oldfield's Tubular Bells. In
de latere producerscarrière van Horn lijkt hij meer te kiezen voor
de mainstream artiest in plaats van het experimentele van vroeger en ook
wil hij zich meer richten op vocalisten in plaats van groepen. Zo produceert
hij Tina Turner, Rod Stewart en meer recent het Russische duo T.A.T.u..
Twee jaar geleden maakte de pers melding van een rel tussen Horn en Seal
dat zelfs op een vuistgevecht zou zijn uitgelopen, maar zoals nu blijkt
hebben de heren hun ruzie bijgelegd, want het nieuwste album van Seal,
Seal IV wordt andermaal geproduceerd door Trevor Horn. Het wordt steeds
moeilijker om de hand van Horn te herkennen in zijn producties, want zo
baanbrekend als aan het begin van zijn carrière is Horn, de grootgebruiker
van de samper, helaas niet meer.
Top
|